woensdag 31 augustus 2005

Ogenblik

Gek is dat, dat je het vóelt als je bekeken wordt. Ik zet mijn kop Mister Donut-koffie terug op tafel en draai mijn hoofd naar links. Twee donkerbruine ogen staren me aan. Alsof ze water zien branden. Iets ernaast, een tikje lager, zie ik nog zo’n donkerbruin paar. Ze hebben dezelfde blik. De ogen horen bij een jongetje van een jaar of zes en zijn kleine zusje. Ik probeer een hallo, om het ijs te breken. Niks. De twee blijven staren. Dan draait het jongetje zich om en fluistert hij iets tegen zijn moeder. Zijn zusje gaat intussen door met staren. De moeder lacht en zegt tegen me: Het zijn je ogen, ze vinden ze zo blauw. Het jongetje en het zusje glimlachen verlegen. De moeder lacht nog een keer vriendelijk en verontschuldigt zich buigend. Dan vervolgen de drie hun weg naar de uitgang. Japanner zal ik nooit worden.

dinsdag 30 augustus 2005

Stoomcursus

Ik heb me gisteravond misschien wel de belangrijkste Japanse vaardigheid eigen gemaakt. Izumi keek altijd wat meewarig toe als ik in Nederland snelkookrijst in een pan kokend water kiepte en acht minuten later afgoot. Nu we in Japan wonen, heeft ze met die methode dan ook korte metten gemaakt. Dat snelkoken bewaar ik maar voor Nederland. Hier stomen we rijst. Dus goot ik gisteravond onder begeleiding van Izumi voor het eerst rijst in de binnenpan van onze stomer. Ik liet er water bij lopen en kneedde en wreef de massa dikke korrels goed schoon. Niet één, niet twee, maar drie keer; naast rijst zijn grondigheid en geduld de hoofdingrediënten van de Japanse maaltijd. Wat heet. Toen ik de juiste hoeveelheid stoomwater bij de rijst had gedaan en het deksel van de stomer had dichtgedrukt, volgde een halfuur van wachten tot het water goed in de korrels was getrokken. Pas toen mocht ik het startknopje indrukken en begon het stomen. Veertig minuten stomen. Een stil proces diep in het binnenste van het apparaat. Toen ik het deksel weer omhoog klapte, was de berg grijzige korrels veranderd in een dampende portie transparantwitte, licht zoetgeurende kleefrijst. Izumi feliciteerde me. De cursus was volbracht, ik ben een volleerd rijststomer.

zondag 28 augustus 2005

Zomergasten

Het blijft wennen, een kakkerlak in je huis. We hadden er net weer een. Toch valt het nog alles mee. Kakkerlakken horen hier bij de zomer en ik had me al voorbereid op een plaag van een paar maanden. Niet zonder reden, want toen ik twee jaar terug ’s zomers in Japan was kwam ik er elke dag wel een paar tegen. Dat waren geen lullige exemplaren. Groot, glimmend, snel. En in staat tot vliegen, dat maakte ze nog enger. Maar deze zomer bedraagt de score slechts twee stuks: eentje in het begin en dus die ene van vanavond. Score ja, want ik heb ze eigenhandig de nek om gedraaid. Ons huis binnendringen? Ha, dan kennen ze mijn rappe hand nog niet. Maar al zijn die twee monsters dan geplet in het toilet verdwenen, ze hebben me toch wat paranoïde gemaakt. Bij elke donkere plek op het hout gaat er een rilling door me heen. En bij elke kriebel aan mijn blote voet huiver ik even. Van kakkerlakken ga je vanzelf verlangen naar de herfst. Een herfst zonder ongenode gasten.

zaterdag 27 augustus 2005

Vreemde taal (3)

Vier dagen lang reisden we deze week door een stukje Honshu en door het noordoosten van Shikoku. Met in onze hand een speciaal treinkaartje dat Japan Railways in de lente, zomer en winter uitgeeft. Iedereen mag met dat kaartje reizen, maar het is alleen geldig tijdens de schoolvakanties. Het zal dan ook oorspronkelijk bedoeld zijn voor scholieren. De Japanse NS heeft het kaartje niet voor niks seishun juhachi kippu genoemd. Vrij vertaald: ‘kaartje voor jeugdige achttienjarigen’. Een prachtige naam. Want als je er iets dieper in duikt, blijkt dat zelfs achter zoiets zakelijks als een voordeelkaart in Japan een fraai stukje woordkunst schuilt. Van juhachi en kippu kun je weinig anders maken dan respectievelijk ‘achttien’ en ‘kaartje’. Duidelijk. Het mooie zit hem in het eerste woord, seishun. In het dagelijkse taalgebruik betekent dat ‘jeugd’. Maar als je het letterlijk vertaalt, klinkt het ineens als een haiku. Sei is namelijk Japans voor ‘blauw’, hier de kleur van de jeugd, en shun betekent ‘lente’. Blauwe lente. Dat is geen woord meer, dat is proza. En het paste perfect bij de rijstvelden, dorpjes en bergmassa’s waar we van de week langs boemelden.

vrijdag 26 augustus 2005

Hoogtepunten

22 augustus, 16.40 uur. Kasteel Bitchu-Matsuyama in Bitchu-Takahashi.
Het bovenste vertrek ligt op 430 meter hoogte. Op de kop af. Het is van donker hout en heeft vensters met dikke, witte spijlen. Soms klinkt er een kraai, verder alleen dat eeuwige zingen van cicaden. Vanaf hier keek de leenheer uit over de bergen rond zijn kasteel. En hij kon gerust zijn. In de trap naar zijn kamer zit een vreemde draai, die er bij vijandige clanleden de vaart uit moest halen als ze naar boven kwamen stormen. Dat vertelt tenminste een bordje naast de trap. Maar nu ik hier zo sta, denk ik dat de snelheid er al veel eerder uit was. We hebben net drie kwartier geklommen door een snikheet bos en over een eindeloze trap, om de haverklap aangevallen door muggen. Misschien geeft het veel energie om pissig te zijn op een leenheer, maar ik kan me ook voorstellen dat je als clanlid halverwege dacht: bekijk het, ik ga terug. Razend of niet.

23 augustus, 11.45 uur. De veerboot van Ushimado naar het eiland Maejima.
Het is een tochtje van hooguit zes minuten, maar het uitzicht is er niet minder om. Onder me klinkt de dieselmotor. Juist door dat repeterende gestamp lijkt de zeilboot, een eindje van ons vandaan, nog stiller door het water te glijden. Achter de zeilboot liggen vier eilanden, aflopend in omvang. Links het grootste: Maejima, ons reisdoel. Het is een flink, groen eiland dat zich naar links uitstrekt tot achter de tong van het vasteland. Rechts ernaast ligt Kuroshima. Daarop staan twee gebouwtjes waarvan ik me afvraag of het huizen zijn. Het maakt nieuwsgierig, zo’n eiland. Op het derde eiland staat niets. Het is klein en steekt steil omhoog vanuit het water. Net als het vierde, dat nog kleiner is. Eigenlijk is er ook een vijfde eilandje, maar dat zullen we morgen pas zien. Bij laagtij.

24 augustus, 14.31 uur. Het Ritsurin-park in Takamatsu.
Natuurschoon waar niks natuurlijks aan is, ik kan daar enorm van genieten. Helemaal als ik getuige ben van het menselijke ingrijpen. Zoals vandaag. Al moet ik nog goed kijken. De tuinmannen hebben zich vakkundig weggecijferd. Ik ontdek er twee op een trap, met hun hoofd tussen de takken van een pijnboom. Met eindeloos geduld knippen ze de groepjes naalden in lagen, zodat het lijkt of er sluierwolken rond de boom hangen. Iets verderop zitten vijf mannen zo diep gehurkt langs het gras, dat ik eerst over ze heen kijk. Hun overalls hebben dezelfde kleur als het grind van de wandelpaden. Over hun hoofd en in hun nek hangt een handdoek tegen de zon en ze dragen rieten punthoeden. Met kleine mesjes snijden de mannen de randen van het grasveldje akelig strak. Ik zie het en weet even niet wat ik mooier vind: het werk aan het park of het park zelf.

25 augustus, 9.00 uur. De Kompira-tempel in Kotohira.
Er staan twee pelgrims, gekleed in wit en leunend op een wandelstaf. Verder is het plein leeg. In de muziektent achter me beginnen drie priesters met zwarte mijters aan een bezwerend lied. Een van de mannen speelt fluit, zijn collega’s hebben houten blaasinstrumenten die ik niet ken. De klanken maken mijn hoofd licht. Of misschien komt het doordat ik net 1.368 treden heb geklommen, dat kan ook. Vóór me, in het binnenste van de tempel, loopt een handvol andere priesters af en aan met dienbladen vol vis en fruit, die ze in een afgeschermde ruimte neerzetten. Als ze weer naar buiten komen, verrichten ze een ingewikkeld ritueel van geknield ronddraaien en stapsgewijs opstaan. Dan stopt de muziek en begint de oudste van de priesters aan een betoverend gebed. Ik kijk naar rechts en zie de stad beneden. De offers zijn voor de beschermheilige van de zee. Ik veeg het zweet van mijn voorhoofd en vraag me af waarom die uitgerekend hier moet worden vereerd, zo ver van de zee en zo hoog in de bergen.

zondag 21 augustus 2005

Stemmen

Er zijn in elk geval twee mensen geïnteresseerd in de gemeenteraadsverkiezingen van Nagaokakyo. Ik kan ze zien vanaf ons balkon.

In dit voorstadje van Kyoto wonen pakweg tachtigduizend mensen, voor Japanse begrippen niet veel. Van dat overzichtelijke aantal burgers bevolkt slechts een handjevol onze buurt. Op een doordeweekse ochtend als deze is het hier dan ook redelijk uitgestorven. Je komt hooguit de postbode tegen, op z’n rode brommer.

Ze vallen dus op, die twee.

Eerst zie ik ze niet, maar hoor ik ze alleen. Ze kondigen hun komst aan via megafoons. Dan zie ik ze ook. Ze komen de bocht uit en rijden stapvoets mijn kant op: twee mannen in een wit Suzuki-busje. Zo’n kort, smal, hoog ding. Ze hebben het nog wat hoger gemaakt door er een sandwichbord bovenop te zetten waarop de naam en de beloftes van een lokale politieke partij staan. In het sandwichbord zitten ook de megafoons en op beleefde toon vertelt een van de mannen over het rustieke Nagaokakyo en wat de partij met dit vredige stadje voorheeft. Mijn Japans gaat niet ver, maar het zijn ongetwijfeld lovenswaardige plannen die hij piepend en krakend ontvouwt.

Het busje rijdt zo langzaam, dat bijna niet opvalt dat het stopt.

Maar het stopt. Op het leegste deel van de straat, waar maar aan één kant huizen staan, remt het af en staat het stil.

De stem uit de megafoons blijkt van een wat oudere man met een goudkleurige, grote bril. Zijn zwarte haar, dat grijst aan de slapen, heeft hij in een keurige scheiding gekamd en hij draagt een lichtbruin poloshirt. Hij praat maar door in zijn zilveren microfoon. Ik hoor de naam van Nagaokakyo en het Japanse woord voor rustig.

En rustig is het. Er is geen kip op straat.

Naast de veteraan, achter het stuur van het busje, zit een jongen. Een jonge jongen; hij is hooguit vijfentwintig. Behoedzaam zet hij de versnellingsbak in zijn vrij en schakelt hij de motor van het witte busje uit. De jongen doet zijn gordel los en hangt hem zorgvuldig naast zich. Hij beweegt gecontroleerd en een tikkeltje onzeker. Als een stagiair in een groot kantoor; hij denkt goed na over elke handeling, want hij wil geen fouten maken.

Vandaag mag de stagiair met de veteraan mee op verkiezingspad.

De veteraan zelf heeft zijn verhaal net afgerond.

Nadrukkelijk kijkt de stagiair in de buitenspiegel of er niks aankomt. Er vliegt een kraai over. De jongen doet de deur open, stapt uit en drukt de deur zachtjes achter zich dicht. Met afgemeten passen loopt hij om de auto naar de deur van de veteraan. Door de onderkant van zijn brillenglazen, zijn hoofd een tikje omhoog, bestudeert die de microfoon. De ambitieuze stagiair schiet hem gretig te hulp en steekt zijn hand door het geopende raam. Kijk, hier zit het knopje. Met een kraak valt de megafoon stil.

De veteraan geeft de microfoon door het raam aan de stagiair, opent de deur en stapt uit. Dat is nog een heel gedoe, met de microfoondraad die door het raam hangt. Maar het lukt; hij is niet voor niets een veteraan. De man strekt zijn benen en kijkt links en rechts de lege straat in.

De veteraan geeft een knikje richting de stagiair, die op dat teken voorzichtig een papiertje openvouwt. De jongen schuift de strop van zijn das recht. De grijze das combineert goed met zijn witte overhemd en zijn zwarte pantalon. Hij neemt de eerste regels van zijn tekst nog een laatste keer door en klikt dan voorzichtig de microfoon aan. Je hoort zijn vingers over de microfoon bewegen.

De stagiair strijkt zijn stropdas glad, recht zijn rug en begint met zijn deel van de wervende tekst. Goedemorgen, zegt hij, en hij kijkt om zich heen. De straat ligt er verlaten bij.

De veteraan is intussen een stukje opgelopen. Hij heeft een stapeltje pamfletten bij zich en kijkt hoopvol naar de voordeuren waar hij langs wandelt, maar die blijven dicht. De kraai vliegt hoog over hem heen en landt op de elektriciteitsmast die tegenover het witte busje staat. Het busje met de microfoondraad en de stagiair en zijn papiertje.

Met zachte stem en de beleefdste vervoegingen die de Japanse taal kent, vertelt de stagiair over de ideeën van zijn politieke partij. Het is een heel verhaal. Dan stokt hij. Er komt een fietser aan. Een potentiële stem! De stagiair schraapt zijn keel en zodra de dame met het hoedje langs het witte busje fietst, werpt hij haar het allervriendelijkste goedemorgen toe dat hij tot zijn beschikking heeft. Hij buigt erbij.

De vrouw blijft strak voor zich uit kijken, zet er de versnelling in en verdwijnt in de bocht.

De straat is weer leeg.

De stagiair kijkt naar zijn papiertje. Hij begint aan de laatste zinnen van zijn tekst. Ze klinken als slogans; als de jongen ze uitspreekt verheft hij zijn stem een beetje en bij elke klemtoon beweegt zijn bovenlichaam iets. Alleen de eerste zinnen van zijn slotbetoog zijn te horen. De rest verdwijnt in de cadans van de trein die voorbijraast over het spoor zo'n tweehonderd meter verderop. Maar de mond van de stagiair blijft bewegen en zijn bovenlichaam schokt door. Het verhaal moet af.

De veteraan en het stapeltje pamfletten zijn inmiddels terug bij het witte busje en de man knikt naar de jongen. Op het gezicht van de stagiair staat een mengeling van trots en teleurstelling te lezen als hij de microfoon uitklikt en aan de man teruggeeft.

De twee stappen in. Ze doen hun gordels vast en de stagiair start de motor. Het smalle busje met de sandwichborden komt langzaam in beweging. De veteraan kijkt weer onderzoekend naar de microfoon. De stagiair wijst op het knopje en de man schakelt de microfoon aan. Maar uit de megafoons komen nu alleen flarden van zijn tekst. A – kyo – i – na. Ik zie nog hoe de stagiair aan het knopje op het dashboard draait. Als het witte busje traag de bocht in rijdt, vallen de megafoons uit.

De kraai vliegt weg van de elektriciteitsmast en verdwijnt in een grote boom.

Nog even en dan zijn er verkiezingen.

Spannend.

zaterdag 20 augustus 2005

Slaapkamergeheim

Heerlijk geslapen, dank je. En eigenlijk ben ik daar elke ochtend weer verbaasd over. In Nederland was ik gewend aan beddenspeciaalzaken die op displays indrukwekkende dwarsdoorsneden van hun matrassen lieten zien. Ergonomisch verantwoord schuim, veren met ruimtevaarttechniek, ademende toplagen – niks was te veel om de Nederlandse slaper te behagen. Het grappige is: hier schuiven we ’s avonds een matrasje uit de kast dat vijf centimeter dik is. Laat het zes zijn. En slapen dat het doet! In Nederland werd ik vaak wakker met een zeurende pijn in mijn rug. Nu lig ik ’s ochtends zo lekker; de enige reden dat ik nog opsta is dat ik er dan een hele dag naar kan uitkijken om ’s avonds weer naar bed te gaan. Wat mij betreft is de futon het best bewaarde geheim van Japan. Nog een uur of tien en ik mag er weer in.

vrijdag 19 augustus 2005

Stadsgroen

Soms mis ik ze, die versgeploegde Hollandse akkers, met voren tot aan de horizon. Je moet er even de stad voor uit, maar dan glijden ze ook kilometers lang voorbij. Het is fijn om er vanuit de trein naar te staren. In Japan hoef je de stad niet uit voor een stukje bouwland. Zo stuitte ik gisteren in het centrum van Nagaokakyo nog op een rijstveldje. Stuitte? Ik struikelde er zowat over. Het akkertje was tussen twee appartementengebouwen gepropt. En het was zo klein: als ik niet toevallig naar links had gekeken in plaats van naar rechts, had ik het gemist. Inmiddels ben ik eraan gewend geraakt. Ruimte is schaars in Japan, dus elke meter is er eentje. Ook als het om rijst gaat. Middenin een woonwijk, achter de supermarkt, langs het spoor, tegenover onze bushalte; overal waar plek is, doemen de rijstveldjes op. Met van die heldergroene plantjes waar soms zacht de wind overheen rolt. Gisteren had ik even geen trein bij de hand. Dus heb ik er op mijn fiets maar een tijdje naar staan kijken. Ook leuk.

woensdag 17 augustus 2005

Machomandje

Ik kom er maar rond voor uit: ik wil een fietsmandje. Op de nieuwe fiets die ik pas kocht, bestelde ik een slot, een voorlamp en een bagagedrager. Geen mandje natuurlijk, ik zou hier een beetje voor lul gaan rijden. Inmiddels weet ik beter. Net als zo’n beetje iedere Japanse man. Een kleine steekproef, zojuist in het centrum van Nagaokakyo, leerde me dat negen van de tien mannen – jong en oud – een fietsmandje hebben. En dat zijn heus echte kerels; geef er één een zwaard en er staat een samoerai voor je. En ze hebben gelijk: een fietsmandje is reuze handig. Handiger in elk geval dan dat stuntelige gezwabber met een tas aan het stuur. Zeker, ook op een bagagedrager kan je heel wat kwijt. Maar wees eerlijk, een plastic zak met boodschappen stop je niet onder je snelbinders. Nee, ik ben om. Ik pas mijn beeld van de echte man aan de Japanse standaard aan en ga een fietsmandje kopen. Een onuitsprekelijk stoer fietsmandje.

dinsdag 16 augustus 2005

Geestdrift

Het zit erop. O-bon is voorbij, het feest der duizend lichten. Ik ben halverwege gestopt met tellen, maar ik zou zweren dat het ze alleduizend waren die vanavond in Arashiyama voorbij dreven. Kleine lichtjes van papier; voor elke voorouderlijke geest eentje. Van de Togetsukyo-brug hobbelden ze zachtjes over de Katsura-rivier. Met een koord van drijvers was een baan gemaakt waarbinnen de geesten gehoorzaam teruggleden naar het bovenaardse. Op één na. Midden op de rivier, een gedurfd eind buiten de baan, dreef een eenzaam lichtje. Een eenzaam maar stoer ding. Het lichtje van een rebelse geest, leek me. Via het wapperende vlammetje lachte de geest ook nu weer om al die burgertrutten die braaf het gebaande pad volgden. Maar zoals dat gaat met sommige rebellen: het liep niet goed af met de recalcitrante geest. Hij balde nog één keer zijn vuist. Toen verdween zijn lichtje jammerlijk in een van de vele watervalletjes in de Katsura-rivier.

maandag 15 augustus 2005

Personeelswerving

Haar hakken waren niet eens zo heel hoog, maar wel dun. Ze liep er moeilijk op. De benen wiebelden, de voeten wezen naar binnen en haar enkels waren op een onnatuurlijke manier gebogen. Ze konden elk moment knappen. Het meisje was een jaar of negentien en heur haar was lichtbruin geverfd en in een wilde versie van een suikerspin gedraaid, met plukken langs haar gezicht. Ze droeg een vaal spijkerrokje dat al bovenaan haar benen ophield en een bloot topje zonder mouwen. De huid gebruind, de make-up zwaar aangezet, gelakte nagels, drie tassen van dure modezaken aan haar arm. Zo zie je ze meer in de straten van Japan: een rare mix van PC Hooftstraat en rosse buurt. Het meisje hield stil aan de overkant van het zebrapad, zaterdagmiddag in Nagoya. Op het moment dat het licht op groen sprong en ze overstak, kwam vanuit het niets een Japanse jongen haar achterna gerend.

Het haar van de jongen had een donkerblond verfbad achter de rug en was hoog opgeföhnd. Zijn gezicht had een donkere tint en hij was gekleed in zwart, met korte mouwen en puntige laarzen. Hij had een oorbelletje. Van zijn soort zie je ze ook veel, vooral op de straathoeken van winkelgebieden in de grote steden. Ze schijnen van doen te hebben met schemerige ruimtes, vrouwen en, zeg maar, personeelswerving. De jongen hield zijn pas in en ging naast het meisje lopen. Ze schrok, maar had aan één blik genoeg en liep stug door. De jongen bleef naast haar lopen en fluisterde met een verleidelijke glimlach van alles in haar oor. Het moeten vleiende woorden zijn geweest, want ze lachte eventjes verlegen. Toen wuifde ze hem toch resoluut weg. Hij lachte, haalde de schouders op en rende terug. Goed, zij zou vanavond niet dansen in een rokerige club. Op naar het volgende dungehakte meisje.

zondag 14 augustus 2005

Weglaten

De ring is van wit marmer en heeft een doorsnede van zeker anderhalve meter. De kunstenaar heeft hem wat gedraaid, om het speelse effect. Onder de ring staat een massieve zwarte sokkel waarvan de rechterkant lijkt afgebrokkeld. Ook om het speelse effect, gok ik. Anders was het gewoon een ring op een sokkel geweest. Nu is het een gedraaide ring op een afgebrokkelde sokkel. Er staat een bordje bij. In de gauwigheid zie ik alleen de foto van de kunstenaar, een Japanner van een jaar of veertig met een sikje en golvend zwart haar. Ik neem niet de moeite om de uitleg bij zijn kunstwerk te lezen, want het ding interesseert me niet. Het staat op de verkeerde plek. Ze hebben het object pal voor het hoofdgebouw van de Miidera-tempel in Otsu geplant. Precies voor de ingang ook nog. Het gebouw is een indrukwekkende houten constructie van zeker driehonderd jaar oud en het ruikt er naar een mengeling van esdoorn en vocht. De ring op de sokkel steekt erbij af als de Neudeflat bij het Utrechtse stadskasteel. Ik ben gek op kunst. Vooral op de kunst van het weglaten.

vrijdag 12 augustus 2005

Monnikenwerk

Om me heen golft een zee van grafstenen. Hoge heuvels vol. Van hier beneden kan ik de wolkenkrabbers van Nagoya niet eens zien. Het is vrijdagochtend kwart over vijf en zo vroeg heb ik nog nooit de geur van wierook geroken. Ik kijk naar de marmeren pilaar die Izumi’s voorouders gedenkt. Er staat een monnik voor. Een vriendelijke jongen met een rond brilletje en een lang, donkerblauw gewaad. In zijn hand ligt een koperen kom waar hij met een stokje tegenaan slaat. Meestal langzaam, soms ineens sneller en daarna weer langzaam. Op dat ritme zingt hij een monotoon gebed. Een prachtige basstem. Achter hem staan Izumi, haar vader, moeder en zus, de handen gevouwen, de hoofden gebogen. De monnik neemt de tijd voor het gebed. Mooi. Knap ook. Want het mag dan vroeg zijn, de begraafplaats begint aardig vol te lopen. Over een paar uur zal het hier gigantisch druk zijn. Ik kijk om me heen en zie honderden stenen glimmen in de zon. Honderden lange, monotone gebeden. De monnik blijft er rustig onder. Als we weggaan, zie ik dat Izumi’s moeder hem een envelopje toestopt. O-bon, het is zijn werk.

donderdag 11 augustus 2005

Dichtbij o-bon

8.12 uur. De trein van Nagaokakyo naar Nagahama.
Ochtendspits. Ik begluur de mannen en vrouwen om me heen. Witte overhemden, mantelpakjes. Aktentassen. Vermoeide gezichten, nu al. Soms denk ik dat ze hier 24 uur per dag werken. Dan kijk ik naar mijn korte broek en mijn flesje water. Als overduidelijke toerist voel ik me een beetje schuldig tussen dit legioen van zwoegers.

9.20 uur. Omihachiman, aan het Biwako-meer.
Saiko-ji is een eenvoudig, klein heiligdom. En die zijn vaak het mooist. Vanaf de ingang loopt een pad met hobbelige stenen en aan weerskanten zorgvuldig geknipte perken. Ik volg het pad, wat moet je anders? Het is muisstil. De panelen van een ruimte naast het hoofdgebouw zijn iets uit elkaar geschoven. Ik zie het profiel van een monnik in kleermakerszit. Hij zit gebogen over een vel papier waarover hij beheerst een penseel beweegt. Ik houd mijn adem in en sta er minutenlang naar te kijken. Ik besef dat Japan zich hier van zijn mooiste kant laat zien.

10.30 uur. Omihachiman, Himure Hachiman-gu.
Nog twee dagen en Japan viert o-bon. Het feest van de duizend lichten. Ook bij dit heiligdom bereiden ze zich erop voor. Aan het gebouw zelf en boven het hele plein wiegen ontelbaar veel lampionnen zachtjes in de wind. Een man op een huishoudtrap hangt lampion nummer 936 op. Al kan het ook nummer 937 zijn, daar wil ik van af zijn.

11.26 uur. Omihachiman, Murakumo-gosho Zuiryu-ji.
Op 272 meter hoogte vouwt een vrouw haar handen. Ze buigt het hoofd en doet een gebed dat eeuwen lijkt te duren. Lekker langzaam. Het is heet hier op de berg, maar de tempel werpt een verkoelende schaduw over de vrouw. Het hout van de overkapping boven haar is wit uitgeslagen van honderden jaren zon, regen, wind en sneeuw.

17.55 uur. Nagoya, bij de ouders van Izumi.
De vouwdeuren van de butsudan, het familiealtaar, staan open. Ze zijn van donker hout dat is bewerkt door iemand met veel geduld. In een kommetje staat een wierookstokje. Er kringelt rook uit die de hele kamer vult met een kruidige geur. Mijn eerste o-bon. Morgenochtend vroeg, voordat de drukte uitbarst, ga ik met de familie mee naar de begraafplaats. Ik zal erbij zijn als ze met de monnik bidden voor hun overleden voorouders. Als ik straks maar kan slapen.

woensdag 10 augustus 2005

Winkelgemak

Begin juni stemde ik in Utrecht nog tegen de koopzondag. Geen felle tegenstem, maar ach, die stille Utrechtse zondagen hebben wel wat. Twee maanden later heb ik me gewillig laten meezuigen in de 24-uurseconomie van Japan. Kopen op zondag – en eigenlijk om het even welk uur van de week – is hier de normaalste zaak van de wereld. Gisteren is het winkelgemak ons tot op de hoek genaderd. Vroeg in de ochtend zoefden officieel de deuren open van een nieuw Family Mart-filiaal. En ze zullen nooit meer dichtgaan. Want Family Mart (famima, zeggen ze hier kortweg) is een van de vele Japanse ketens van convenience stores. En bij die minisupermarkten (konbini) kun je het hele jaar door dag en nacht naar binnen wandelen. Voor levensmiddelen, drogisterij- of kantoorartikelen, maar ook voor een overhemd, sokken of een das. Je kunt er zelfs faxen versturen, geld storten en opnemen, foto’s laten ontwikkelen of de elektriciteitsrekening betalen. In de grote steden vind je op bijna elke straathoek een konbini. En nu zit er dus ook eentje op de onze. Vanmiddag hebben ze vierenhalve euro aan me verdiend, de prijs voor een krant en een magnetrondiner met rijst, groente en gefrituurde stukjes kip. Het gemak dient ook de Utrechtse tegenstemmer.

dinsdag 9 augustus 2005

Karakterschets

Pril ochtendlicht valt op het papier. De zachte zonnestralen versterken het reliëf van het handgeschepte blad op de tatamivloer. Buiten ruist een esdoorn. Even houd ik mijn penseel stil. Dan zet ik de lange, zwarte haren op het papier en maak ik met vaste hand veertien sierlijke halen. Daar staat hij, mijn eerste kanji. . Eki. Station. Ineens galmt er een schelle lach door de kamer. Ik zit achter mijn bureau. Links vóór me ligt Japanese for Busy People, rechts een schoolschrift met een bibberend tekeningetje, diep in het lijntjespapier gedrukt. Izumi kijkt over mijn schouder en ze lacht vertederd: In het Japans heb je precies het handschrift van kinderen die net kanji leren schrijven. Kawaii! Schattig! Ik lach met haar mee en kijk nog eens trots naar het tekeningetje. Met die kwast, dat komt later wel. Maar mijn eerste kanji staat mooi op papier. Station. Nog 49.999 te gaan.

maandag 8 augustus 2005

Geestverwanten

De doden komen terug en dat was gisteravond een dansje waard. Uit luidsprekers klonken bezwerende ritmes en springerige zangstemmen. In een grote cirkel dansten vrouwen en mannen in yukata een trage, prachtig gestileerde dans. Het zal de doden hebben behaagd. En dat was precies de bedoeling. Want de dans hoort bij o-bon, het boeddhistische ‘feest der duizend lichten’ en in dit land een belangrijke traditie. Eind deze week vieren Japanners de tijdelijke terugkeer van de geesten van hun overleden voorouders en als voorbode danste Nagaokakyo nu al in het rond. Dat zal trouwens niet alleen de verscheiden verwanten hebben behaagd, maar ook de grote Japanse bierbrouwer die het terrein van zijn plaatselijke fabriek er speciaal voor had opengesteld. Want er kwamen veel mensen op de dans af. En, vooruit, op het gratis bier en de gebakken noedels. Ze dansten, dronken en aten in het oranjerode schijnsel van honderden lampionnen. Naar zo’n wereld keer je als geest toch graag een paar dagen terug?

zaterdag 6 augustus 2005

Net gourmetten

Hij is er: de bakplaat. Onmisbaar in elk Japans huishouden. Na een uitgebreid prijsvergelijk en zorgvuldige bestudering van elk verkrijgbaar exemplaar door Izumi hebben we er net eentje aangeschaft bij de elektronica-afdeling van de supermarkt. Eerste verdieping, tegenover de gasfornuizen. We hebben er niets minder dan een yakiniku-restaurant mee in huis gehaald. En yakiniku is een van de leukste vormen van eten. Flinterdunne lapjes gemarineerd rund- en varkensvlees, uiringen, paprikareepjes, shii-take – je legt het zelf op de plaat, opent een biertje (of kiest voor een glas groene ijsthee), babbelt er lekker op los, draait de boel een paar keer om en voor je het weet, is het smullen geblazen. Inderdaad, net gourmetten. Maar dan dus yakiniku. De plaat staat op de tafel, laat nu onze Japanse gast maar komen. Ah, daar zal je hem hebben.

vrijdag 5 augustus 2005

Prins

Dagelijks zie ik hier de Hollandse driekleur voorbijrijden. Rondom, als een lint om een cadeautje, siert hij de bussen van de lokale maatschappij. Waarom – niemand weet het. Maar sinds het me opviel is elke busrit voor mij een soort thuiskomen.

Het rood-wit-blauw zit ook op lijn drie, die van bij ons op de hoek naar het centrum van de stad rijdt. De kleuren zijn een tikkeltje vaal, net als het beige waarin de rest van de bus lang geleden is gespoten. Maar op deze zonnige middag zorgen ze ervoor dat ik met een glimlach instap. De bus is ook een beetje van mij, zeg maar.

Ik ga zitten en mijn bus trekt op.

Op een bandje kondigt een vrouw de volgende halte aan. Zoals alle omroepsters in Japanse treinen, metro's en bussen zet ze er een stem bij op alsof ze gehurkt tegen een kind praat. Je kunt dat aanstellerig noemen, ik wentel me er graag in. Het geeft datzelfde warme gevoel dat ik vroeger had als ik uit school kwam en mijn moeder thee had klaarstaan.

Een soort thuiskomen, ik zei het al.

Bij de aankondiging van de volgende halte blijft het niet. Er volgt nog een hele verhandeling. Als ik het goed versta gaat het over de andere haltes op de route en over de eindbestemming en wordt iedereen aan boord vriendelijk bedankt dat hij voor deze busmaatschappij heeft gekozen.

Geen dank.

De bus is volgehangen met advertenties. Boven de ramen loopt aan beide kanten van de bus een strook met posters. Busreclame is blijkbaar lucratieve handel in Japan. In Nederlandse bussen zit soms een verdwaalde poster met reclame voor busreclame. Maar hier ontcijfer ik onder meer een boodschap over Engelse les, zie ik een foto van een golfbaan met vermoedelijk de prijs van een lidmaatschap en hangt een knalgele poster met het logo van een bierbrouwer.

Terwijl de gehurkte vrouw op het bandje tegen me doorpraat, valt mijn oog op de witte handschoen op het stuur. De rest van de chauffeur gaat schuil achter een wandje. Een stukje hoger, boven de voorruit, hangt een spiegel en daarin zie ik het gezicht van de chauffeur.

Hij blijkt een vrouw.

Haar jonge huid heeft een lichte tint, het donkere haar is in een rechte pony geknipt en haar ogen stralen. Ze draagt een wit overhemd met korte mouwen waar een vouw in zit en er hangt een microfoontje voor haar mond waarmee ze de vrouw op het bandje af en toe aanvult. Aan informatie zal het de busreiziger in Japan niet ontbreken. Vriendelijke stemmen van gehurkte en ongehurkte vrouwen praten je van instappen tot aankomen bij.

Er is iets met de chauffeuse.

De meeste tijd heeft ze een serieuze blik. Logisch, de wegen zijn hier smal en druk en het is opletten geblazen. Maar af en toe, heel even, lichten haar stralende ogen extra op en verschijnt er een klein lachje rond haar mond. Een verlegen, mooi lachje. Zoals Nikita het lachte, die knappe grenswacht in de videoclip van Elton John.

Elke keer, na die milliseconde waarin haar gedachten lijken weg te glijden, herstelt de chauffeuse zich snel en richt ze haar ogen weer strak op de weg.

Het kan niet missen: de chauffeuse van lijn drie is verliefd.

Intussen zijn we al een eind op streek. De bus slaat af naar rechts en wurmt zich verder door de straten van Nagaokakyo. Van één soepele beweging is daarbij geen sprake; het is horten en stoten wat de klok slaat. Afremmen, optrekken, schakelen en weer afremmen. De chauffeuse moet de rijbaan delen met fietsers, lossende vrachtwagens en stoplichten. En dat doet ze met geduld.

En met die stralende ogen dus.

Kijk, daar heb je lijn achtenveertig. Glimmend in de zon brengt ook hij de Nederlandse vlag dichterbij. Wat een leven kan er in drie vale kleuren zitten.

Huizen komen langs en ertussen zie ik flitsen van de bergen. Dichtbij zijn ze groen en ik kan de blaadjes aan de bomen bijna tellen, zo fel worden ze beschenen. Iets verder zijn de bergen blauwer. Nog verder zijn ze lichtblauw en daar weer achter bijna wit. Zo wit, dat het ook de lucht kan zijn.

Ik druk op het stopknopje en er klinkt een ding-dong.

Lijn achtenveertig is mijn bus nu zo dicht genaderd dat ik de bestuurder goed kan zien. Het is er een van de mannelijke soort dit keer. Een keurige jongen met een gezonde kleur op de huid, net als de chauffeuse. Hij draagt ook hetzelfde witte overhemd en dezelfde witte handschoenen als zij.

En dan gebeurt het.

Vlak voordat de bussen elkaar passeren – er zit hooguit drie meter tussen de chauffeuse en haar collega – buigen ze naar elkaar bij wijze van groet. In de spiegel boven de chauffeuse zie ik haar zwarte kruin. Maar als ze weer omhoog komt, heeft ze een brede glimlach op haar gezicht. Breed en verlegen. En ze draait haar ogen beschroomd weg van haar collega. Ook die heeft ineens een opvallend blije trek op zijn daarnet zo kreukloze gezicht gekregen. Hij knippert raar met zijn ogen.

Het is duidelijk. Dit is hem, haar prins in de beige bus.

Als de chauffeur langs de ramen van mijn bus glijdt, zie ik hoe hij in zijn buitenspiegel kijkt of hij nog een glimp van de chauffeuse kan opvangen. Maar die is al in een andere wereld. Een wereld waarin de rijstvelden groen zijn, vlinders fladderen en geliefden hand in hand lopen.

Een wereld zonder bushaltes ook. Aan de andere kant van de bus komt net mijn halte voorbij.

donderdag 4 augustus 2005

Vreemde taal (2)

De Japanse woordenschat barst van de pareltjes. Vandaag, zowaar ijverig aan de zelfstudie, kom ik de volgende bijvoeglijke naamwoorden tegen: se ga takai (lang) en atama ga ii (slim). Ze zijn heel beschrijvend. Se ga takai betekent namelijk zoveel als ‘lange rug’ (se is ‘rug’, takai is ‘lang’). En atama ga ii kun je lezen als ‘goed hoofd’ (atama is ‘hoofd’ en ii is ‘goed’). Dat leidt tot zinnen als Tanaka-san wa se ga takai hito desu (letterlijk: Mijnheer Tanaka is een mens met een lange rug). En Tanaka-san wa atama ga ii hito desu (letterlijk: Mijnheer Tanaka is een mens met een goed hoofd). Mooie constructies. Japan is toevallig op mijn pad gekomen, maar ik had het slechter kunnen treffen. Alleen al wat de taal betreft.

woensdag 3 augustus 2005

Zure appel

Een koude, harde, lekker zure appel. Daar had ik nou eens trek in. Dus ik naar de groenteafdeling van de supermarkt, niveau Edah. Ja hoor, daar had je ze: appels. Prijs per stuk: 158 yen. 158 yen? De eetlust verging me spontaan. Dat is 1,16 euro. Een hele euro en zestien eurocent! Voor één appel! Ik verliet snel de groenteafdeling. Het stukje brie voor de pastasaus had ik even daarvoor al laten liggen: 150 gram à 3,86 euro. Dan maar carbonarasaus. En een glaasje water voor de dorst.

dinsdag 2 augustus 2005

Verdwijningen

Om in Japan bij een tempel te kunnen werken, moet je vooral één ding goed kunnen: er niet zijn. Vanmiddag nog, bij het heiligdom in het centrum van Nagaokakyo. Ik zit maar wat, meer moet je niet doen op zo’n snikhete dag. Er is alleen het hoge, zingende geluid van honderden cicaden. En dan: plop, vanuit het niets, is daar de man in zijn lichtblauwe yukata. Geruisloos veegt hij het pad dat naar het altaar leidt. Waar kwam die ineens vandaan? Rechts komt een vrouw de stenen trap naar het plein oplopen. Bij het fonteintje wast ze haar handen en spoelt ze haar mond. Klaar voor een gebed. Ik kijk weer naar de plek waar net de man in zijn yukata stond te vegen. Plop. Weg. Opgelost. Nergens te bekennen. Hoe ze het doen, ik weet het niet. Maar het heeft wel wat.

maandag 1 augustus 2005

Vreemde taal

In Kyoto zit een filiaal van Loft, zeg maar de Japanse Blokker. Ze verkopen er onder meer vuilnisbakken. In het ontwerp van sommige modieuze exemplaren zijn prijzenswaardige opschriften verwerkt, in de trant van: laten we er samen een schonere wereld van maken. Van één opschrift kan ik echter niets brouwen. Het begint met een plaatje van de Nederlandse vlag.

MISTKÜBEL
Natur, Geschite, High-Teck und auch Leben der Leute in der Harmonie der Umweltkultur zusammenstehen

Hoog tijd om de Japanse tekstboeken aan de kant te schuiven en mijn Duitse schoolboeken onder het stof vandaan te halen. Ik heb heel wat bij te spijkeren.