Net als ik denk: het gaat lekker met dat Japans, is daar de supermarkt. Izumi gaat alvast naar de aparte drogisterijafdeling, ik reken wel even af. Ik zet het winkelmandje voor de caissière neer en gooi er een geoefend
Kombanwa uit. Goedenavond, een makkelijke om er in te komen. Ik leg onze bankpas in het geldbakje en zeg nonchalant dat ik daarmee wil betalen:
Kado de onegaishimasu. In gedachten ben ik al thuis, dit supermarktbezoek zit er in feite op. Dan gebeurt het. Iegaajè?, vraagt de caissière. Hè? Ik leun iets voorover. Iegaajè?, vraagt ze nog een keer. Ik versta er niks van. De g klinkt als een zachte k en ze houdt de bankpas erbij omhoog. Iegaajè? Snel doorloop ik de lijstjes uit mijn lesboek. Verdorie, geen woord dat op iegaajè lijkt.
Het meisje kijkt me verwachtingsvol aan. De dames achter me in de rij ook. Ik krijg het een beetje warm. Iegaajè, ik heb geen flauw idee. Het gaajè lijkt op
kai, maar dat is toch het telwoord voor verdiepingen? Zei ze eigenlijk wel gaajè? Was het misschien
kado, het Japanse woord voor ‘kaart’? Dat heeft ook een lange a. Er is toch hopelijk niets mis met de bankpas? Ik lijk al lang niet meer op een man van de wereld. De blik van de caissière krijgt iets wanhopigs. Iegaajè?, probeert ze nog een keer. Ik gris de pas uit haar hand en wil naar de drogisterijafdeling rennen, maar daar is Izumi al. Iegaajè?, vraagt de caissière nu aan haar. Ja, knikt ze. De caissière haalt de pas opgelucht door de lezer.
Ikkai de, spelt Izumi voor mij, de caissière zei ikkai de. Natuurlijk! Ikkai de, ‘in één keer’! Of we willen dat de supermarkt het bedrag in één keer afschrijft of in termijnen. Dat had ik moeten weten. Ik sta weer met beide benen op de grond. Als het over mijn Japans gaat, moet ik vooral geen praatjes krijgen.