vrijdag 27 januari 2006

Meisjes

Dag werkweek, hallo weekend. Dat sfeertje. Het is vrijdagavond half zeven en boven Kyoto hangen sterren. Ik ga met de stroom mee het metrostation uit, Shijo-dori op, en ontvlucht linksaf de menigte. Voor de clubs aan mijn rechterhand hangen posters met decolletés en meisjesbenen en er staan jongens in zwarte pakken. Ze praten wat en lachen. Ik sla rechtsaf een steegje in, been langs frisdrankautomaten met felle lampen en hoor stemmen in een restaurantje ergens bovenaan een trap. Dan ga ik weer linksaf, Pontocho in, de oude geishawijk. Het pad tussen de pandjes is smal en donker. En ik loop er nog maar nauwelijks of ineens stapt uit een gangetje een maiko voor me langs, een leerling-geisha. Haar gezicht is wit, de kimono kleurig, ze schuifelt op houten plankjes met voor en achter een hoge hak. Het meisje slaat haar ogen neer en dan is ze voorbij. Ik besluit niet om te kijken. Beter dan deze seconde kan de avond niet worden.

woensdag 25 januari 2006

Pauze

Aan de andere kant van het treinraam hangt een klok. Mijn trein vertrekt om 12.40, dat is nog vier minuten wachten. Onder de klok, langs het perron, zit een noedelrestaurantje. Achter het raam van het tentje zit een man met een regenjas. Hij is bruin, de jas. De man zie ik op zijn rug. Hij zit gebogen en om de haverklap springt de rechterhand van de man boven zijn schouder uit. Er zitten stokjes in met noedels ertussen, de stoom slaat ervan af. De man beweegt zijn hoofd naar voren en slurpt de slierten naar binnen. Dat denk ik tenminste, want ik kan het van hier niet zien. Achter de bar staat een dame met een blauw shirt en een rode hoofddoek. Ze kijkt naar de etende man en daarna door het raam naar het perron. Waar blijft de rest?, vraagt ze zich misschien af. De deuren van mijn trein gaan dicht. De man recht de rug en kijkt op zijn horloge. Dan duwt hij de rechterpand van zijn jas naar achteren en graait hij in zijn broekzak. Hij betaalt de vrouw, stapt van de kruk, pakt zijn koffer en draait zich om. Mijn trein begint te rijden. De man draagt een helderblauwe stropdas, dat had ik niet verwacht.

dinsdag 24 januari 2006

Spaarpot

Het kleinste kamertje is in dit land nog kleiner. Begrijpelijk, want met z’n 127 miljoenen op een oppervlak zo klein als Nederland moet je ook op het toilet ruimte inleveren. Maar de Japanners springen creatief om met de compacte maten. Het fonteintje vind je in ons closet bijvoorbeeld niet aan de muur, maar bovenop de pot. Daar maakt het spoelwater, dat bij Nederlandse wc’s door een pijpje de stortbak inloopt, een handige tussenstop. Doortrekken gaat zoals overal: er plenst een paar liter water de pot in die de boel schoonspoelt. En ook in Japan moet de stortbak vervolgens gewoon weer worden bijgevuld. Maar daar zit ‘m het verschil. Want het verse spoelwater stroomt hier uit een kraantje dat bovenop de bak is geschroefd. En terwijl het daarna via een putje alsnog het reservoir inkolkt, kunnen wij onder die tap mooi onze handen wassen. Aan hygiëne leveren we zo niks in, maar ruimte winnen we des te meer.

2 MEER DAN DUIZEND WOORDEN: ONS RUIMTEWONDER

zondag 22 januari 2006

Contact

Schuin voor me, aan de andere kant van het gangpad, steekt een krant omhoog. Buiten is het donker, in de trein is het druk. Ik kan niet alles zien van de opengeslagen pagina, want de man die hem vasthoudt zit ervoor. Zijn zwarte hoofd, een grijzende slaap, zijn bril, de schouder van zijn regenjas en de hand waarin de krant steekt. Maar ik zie genoeg om te weten welke pagina de sararimen bekijkt. Of bestudeert, dat is beter. Want hij neemt elk fotootje in zich op en spelt de tekstjes die ernaast staan, van rechts bovenaan tot linksonder en van linksboven tot rechts onderaan. Een kwartier later hoor ik de naam van mijn station en nog steeds heeft de man de pagina met sexadvertenties niet omgeslagen. Vanaf het papier kijken de meisjes hem geduldig aan: jong, lachend en net niet helemaal bloot. Vlak voor ik opsta lijkt het of hij even naar ze teruglacht.

vrijdag 20 januari 2006

Topdrukte

Ik ben niet de enige. Het is woensdagavond tien voor negen en op metrostation Hommachi in Osaka wacht ik vooraan in een lange rij kantoorlui. Sararimen, noemen ze die hier: salarymen. Ze steken allemaal in hetzelfde donkerblauw of zwart, met stevige stappers en overjassen tegen de kou. Sommigen komen net van kantoor, de meesten uit een tentje waar de tap goed heeft opengestaan. Daar is de metro. De deuren schuiven open, precies voor me. De wagen blijkt afgeladen met nog meer donkere pakken. Maar voor de deuren passen nog wel twee of drie anderen. Ik stap in en vraag me af waar de rest van de rij zal gaan staan. Dat wordt snel duidelijk. Ik sta nog niet op mijn plek of een reuzenhand duwt me de menigte in, centimeter voor centimeter dieper. Ik ben weer in de arena van Ahoy’ bij dat concert van Smashing Pumpkins, toen ik nog niet wist wat pogoën was. Er zit een elleboog in mijn rug, ik hang op mijn linkerbeen, de tas aan mijn hand zit voor het kruis van de man naast me. De airconditioner blaast warme lucht in mijn gezicht en ik probeer mijn lenzen vochtig te knipperen. De metro ruikt naar alcohol, overal zie ik donkerblauwe stof, brillen en zwart haar. En ik lach. Ik lach een brede glimlach. Ik ben een Nederlandertje en ik forens door Japan.

donderdag 19 januari 2006

Vreemde taal (8)

Dat Japans, dat moet je onderhouden. Gelukkig hangen de treinen hier vol reclameposters waarop ik mijn kennis van de taal kan uitproberen. Meestal blijkt natuurlijk dat ik nog bar weinig karakters ken en krijg ik hooguit snippers van de boodschap ontcijferd. Maar soms word ik beloond voor mijn gepuzzel. Dit weekend spelde ik bijvoorbeeld een affiche van Japan Railways. De spoorwegmaatschappij maakte reclame voor een website met toeristische informatie en een treinplanner. Toru noru sumu, stond er in Japanse tekens. Toru betekende in dit geval ‘bestellen’, noru staat voor ‘instappen’, en sumu is Japans voor ‘klaar’. Bestellen, instappen en klaar is Kees, zei de spoorwegonderneming dus zo ongeveer. Maar de schrijver van de poster bleek een woordspeler. Achter sumu had hij drie puntjes en de lettergreep su getypt. Daardoor stond er niet alleen sumu maar ook sumusu, de Japanse versie van smooth. Mijn eerste zelfgelezen Japanse woordgrap! Ik kon wel juichen en keek met een blije blik naar de andere reizigers. De meesten sliepen.

dinsdag 17 januari 2006

Oprechte trouw (2)

14 januari, 14.11 uur. De trouwzaal van de Atsuta-schrijn in Nagoya.
In de handen van een jonge vrouw, een meisje meer, ligt een koperen pot. De steel is lang en ze houdt hem vast met haar rechterhand. Het meisje draagt een gouden kroontje en een wit met rood gewaad dat tot op de grond hangt en ruist als ze beweegt. En ze beweegt. Gecontroleerd kantelt ze de pot voorover, sturend met haar linkerhand. Net voor er iets uitkomt, kantelt ze hem terug. En dan weer voorover. En weer terug, en nog eens voorover. Deze keer laat ze de sake eruit lopen, al is het maar een scheutje. Het is warm en sijpelt in het kommetje in de handen van Kenya, nog heel even Eiko’s verloofde. Hij drinkt het leeg en geeft het door aan Eiko. De vrouw kantelt de pot. En kantelt, en kantelt, en kantelt, en giet uiteindelijk een slok in het kommetje. Eiko beweegt het naar haar mond en inhaleert de damp, maar geeft het dan weer terug. Het ritueel herhaalt zich met het tweede kommetje op de stapel, dat iets groter is. En nog eens met een laatste, nog grotere nap. Daaruit drinkt Eiko wel, hij gaat in één keer achterover. Beneveld je huwelijk in, het heeft wel wat.

maandag 16 januari 2006

Oprechte trouw (1)

14 januari, 13.00 uur. De Atsuta-schrijn in Nagoya.
Tussen de bomen in het zuiden van de stad staat het hoofdgebouw van de Atsuta-schrijn. Het is opgetrokken uit donker hout en de balken van het dak steken in een geweldige V door de nok. Je mag het heiligdom alleen van een afstandje bekijken. Binnen schijnt het zwaard te liggen dat de Japanse keizers en de goden verbindt en met zoiets is een mens natuurlijk voorzichtig. Een veld van grote, donkere keien ligt tussen de poort en mijn schoonzus Eiko in. De stenen glimmen, want er valt een zware regen die een waas van drama over het heiligdom legt. Ik ril ervan en bewonder Eiko. Ze draagt een witte kimono waar je uren naar kan kijken, zo veel details zijn erin verwerkt. Het haar is kunstig opgestoken en de kimono hangt aan de achterkant laag in haar nek. Dan begint de priester van de schrijn met zijn gebed. Eiko buigt het hoofd. Net als de man naast haar, die over een goed uur haar echtgenoot zal zijn.

14 januari, 13.32 uur. Bij de trouwzaal van de Atsuta-schrijn in Nagoya.
Panelen van rijstpapier filteren het licht dat de wachtruimte binnenvalt. Ik zie Eiko van de zijkant. Ze draagt nu een witte kap. Haar gezicht is nog bleker gemaakt dan het van nature al is en haar ogen zijn halvemaantjes op hun kant. Aan de voorkant sluit de kimono nauw rond de hals. Het gewaad is net zo wit als de kap en telt één, twee, drie lagen; elke laag een ander motief. Met dat zachte daglicht had Eiko zo een schilderij van Vermeer kunnen zijn. Ze kijkt naar haar toekomstige schoonfamilie. Ik kan de mannen en vrouwen vanhier niet zien, want tussen Eiko’s familie – mijn familie – en die van haar verloofde staan schotten. Niet veel later zullen die verdwijnen. De families gaan dan tegenover elkaar staan en stellen zich voor. Als het mijn beurt is, doe ik de anderen na en buig ik diep.

donderdag 12 januari 2006

Vol gas

Het is een kleine vrachtwagen met een laadbak. Er staan metalen flessen in van een meter of anderhalf. Het vrachtwagentje stopt bij onze buren. Uit de cabine springt een man met een rood jack waar in Japanse karakters gasu op staat: ‘gas’. De gasman pakt een klembord uit de deur, bestudeert het papier dat erop ligt en stopt het weer terug. Dan zwaait hij de zijklep van de laadbak open. Uit de bak tilt de man een rubberen mat die hij naast het vrachtwagentje op straat laat ploffen. Hij schuift een van de gasflessen naar zich toe, trekt hem van de bak en laat hem op de mat stuiteren. Dan rolt hij de fles over het zandpad tot achter het huis. De fles die daar al stond, tilt hij opzij en de nieuwe zet hij ervoor in de plaats. De lege fles rolt hij naar zijn vrachtwagentje en tilt hij in de bak. De man pakt zijn klembord weer uit de deur, zet een vink op het papier en stopt het bord terug. De klep zwaait dicht. De man vergrendelt hem en gaat er voor alle zekerheid even aan hangen. Met deze lading kan zo’n klep maar beter goed vastzitten. Dan stapt hij in, start hij de motor van zijn vrachtwagentje en rijdt hij weg. De man van het gas.

dinsdag 10 januari 2006

Zoetsappig

Het lekkerste lapje varkensvlees dat ik ooit heb gegeten, vond ik in de kelder van een kantoorgebouw in Nagoya. Het lag onder een berg lente-uitjes, in een jasje van Japans broodkruim. Tonkatsu, noemen ze zo’n gepaneerd stukje vlees. En in het restaurant waar ik het at weten ze hoe je tonkatsu klaarmaakt. De naam van het afgeladen eettentje is Ramuchii, het geheim van de koks heet miso. Achter een sluier van sigarettenrook en gordijntjes van zwarte stof smeren de mannen daarvan een gezonde kwak over het paneerlaagje. Van rode miso welteverstaan, de zoete variant waar Nagoya beroemd om schijnt te zijn. En het werkte, die middag in december. Dat het varkensvlees tussen mijn eetstokjes mals was en vrij van vetrandjes, hielp natuurlijk ook. Maar het was de stevige smaak van suiker en zout die de doorslag gaf: de misokatsu van Ramuchii werd mijn ijkpunt. Vrijdag zijn we weer in Nagoya.

2 DEZE MEVROUW IS OOK IN RAMUCHII GEWEEST (MISOKATSU: FOTO 5/7)

zondag 8 januari 2006

Treinmanieren

Dames en heren, binnen enkele ogenblikken arriveert bij instapperron 5 de sneltrein naar Himeji. Voor deze trein gelden de cirkels op het perron, nummer 2 tot en met 12. Stel u op in twee rijen alstublieft.

En iedereen gaat in twee rijen bij zijn cirkel staan. Sommigen stonden er al.

zaterdag 7 januari 2006

Warme klanken

Nu de winter over Japan raast, veer ik elke dag even op. Draaien Nederlanders bij lage temperaturen de thermostaat een tandje hoger, in dit land stoken ze de oliekachel nog eens op. De plaatselijke oliehandelaar maakt dan ook overuren, dat zal niet verbazen. Met de regelmaat van de klok hoor ik hem in zijn tankwagen door de straten rijden. En elke keer word ik daar weer vrolijk van. De olieman laat zich namelijk begeleiden door een kinderkoor. Uit de luidspreker op de cabine klinkt een liedje dat hij van een oude langspeelplaat heeft geplukt. Yuki ya konko, heet het. Dat betekent zoiets als ‘Laat het nu maar sneeuwen’. Het melodietje huppelt onbekommerd door de straten van Nagaokakyo en als ik het hoor zie ik besneeuwde landschappen, dansende kinderen en katers die spinnen bij een haardvuur. Beelden waar een mens zich aan kan opwarmen. Wat mij betreft houdt de kou dus aan en komt de oliehandelaar nog vaak langsrijden.

donderdag 5 januari 2006

Andere humor

Mijn Japanse neefje is bijna drie en roept om de haverklap Wooooo! Die kreet heeft hij van Hard Gay. Die komt hier in zo’n beetje elk televisieprogramma voorbij. Hard Gay heet eigenlijk Masaki Sumitani en dat is een komiek. Overal in dit land kennen ze de man met de spiegelzonnebril. Hij draagt ook een pet, een vest en een broekje waarmee je in een SM-club goed voor de dag zou komen. De naam van Hard Gay schijnt een woordgrapje te zijn: gei is Japans voor ‘kunst’. Dat is dan de kunst van het verwarren. Want hoewel Hard Gay om de zin zijn kreet slaakt en de heupbeweging maakt waar Elvis beroemd mee werd, helpt hij in zijn zwarte leren pakje ook oude vrouwtjes over straat. En de Japanners, die zijn gek op Hard Gay. Eergisteren nog, bij het Yasaka-heiligdom in Kyoto. Rechts zag ik mensen bidden voor geluk in het nieuwe jaar. Links riepen vijf kleuters in koor: Wooooo! Ze moesten hard lachen.

2 VAAK OP TV: HARD GAY

woensdag 4 januari 2006

Nieuw (2)

3 januari, 16.55 uur. De Yasaka-schrijn in Kyoto.
De munt belandt met een boog op een wit doek. Hij raakt een ander geldstuk en springt omhoog. Het licht uit een spot weerkaatst terwijl hij rondjes draait. De munt kwam uit de portemonnee van Izumi en het doek hangt voor de bidkapel van Gion-san. Zo noemen ze de Yasaka-schrijn in deze stad. Voor het doek zie ik Izumi en naast en achter haar honderden andere Japanners. De lucht trilt van opwinding. Of van de warmte uit de lampionnen en de eetstalletjes rond het plein, wie zal het zeggen. Izumi buigt haar hoofd, vouwt haar handen en bidt. Achter me knopen twee meisjes in kimono nieuwjaarswensen aan een draad. Ze duiken in hun kraag en giechelen. Uit mijn broekzak vis ik wat kleingeld en ik werp het naar Gion-san, over de hoofden van mijn landgenoten. Een mens mag wel eens wat terugdoen voor al dat moois. Over de promenades van Kyoto stromen intussen duizenden anderen hiernaartoe.

2 MEER DAN DUIZEND WOORDEN: KYOTO, GISTERAVOND

dinsdag 3 januari 2006

Nieuw

31 december, 17.10 uur. Nagoya.
Het is donker en voor het huis van Izumi’s ouders liggen resten sneeuw. Binnen wacht een blik Kirin-bier. Ter zake dus. Uit een plastic zak tilt de moeder van Izumi een pakketje van cellofaan. Daar schuift ze de shimenawa uit. Het is een bundeltje vakwerk, ik kan niet anders zeggen. Strohalmen van rijstplanten zijn met een witrode strik bij elkaar gebonden en er hangen gevouwen stroken papier aan. Izumi’s moeder wijst op een spijker boven de voordeur. Hij moet lang geleden in het hout zijn gehamerd, want als ik hem beetpak voel ik roestschilfers. Ik neem de shimenawa aan en draai het ijzerdraadje achterop een paar keer rond de spijker. Dan schik ik de strooien bos tot hij recht hangt en stap ik naar achteren. Tijdens de jaarwisseling zal het kwade hier niet over de drempel komen, beweren de shintotradities. Daar moet op gedronken worden.

31 december, 23.59 uur. Nagoya.
Ik zit met mijn benen onder de kotatsu van Izumi’s ouders, net als Izumi en haar zus. Haar ouders slapen al. De meesten hier laten dat hele aftellen namelijk graag aan zich voorbij gaan. Even verderop, bij de Atsuta-schrijn, bidden drommen Japanners met sjaals en handschoenen voor een voorspoedig nieuwjaar. Dat wel. Maar het gebed, dat kan later ook, hebben wij vanavond besloten. Daarom staan er drie glazen op tafel en haal ik de aluminiumfolie van een fles Freixenet. Op televisie, ergens buiten, staat een komiek klaar om een manshoge bal op te vangen en weg te werpen. De grappenmaker draagt een helm en de bal brandt. Hij is uitgespuwd door een draak en rolt nu van een helling op de komiek af. En we hebben nog geen druppel gedronken. Over een paar seconden zal de kurk uit de fles ploppen en begint 2006.

1 januari, 9.15 uur. Nagoya.
Voor me staat een kom. Op de bodem ligt een plak rijst, ondergedompeld in bouillon van soja met bonitosnippers. Ozoni heet het brouwsel, en al zeshonderd jaar vieren Japanners er het begin van het nieuwe jaar mee. Ik kijk om me heen – de vader en moeder van Izumi tegenover me, haar zus rechts, Izumi links. En ik doe wat zij doen. Ik prik met mijn eetstokjes in de schijf, duw de plakkerige rijst uit elkaar en til het losse stuk uit de soep. Eén punt blijft kleven aan de grotere klont. Ik buig voorover en slurp de hap rijst naar binnen. Ik proef de lichtzoute bouillon en een zweem van vis en voel een substantie die lijkt op kauwgom. Maar dan luchtiger. De substantie glijdt mijn keel in en ik laat de smaak tot me doordringen. Ik besluit dat Izumi niks te veel heeft gezegd: dit is lekker. Met een slok groene thee proost ik op dit jaar en op mijn eerste ozoni.

1 januari, 11.09 uur. Nagoya.
De vader van Izumi knielt en tikt met een stokje tegen een kom. Uit het koperen ding komt een geluid als van een triangel, maar dieper en steviger. Het galmt lang na. Voor het familiealtaar bij Izumi’s oom en tante buigt mijn schoonvader zijn hoofd en doet hij een gebed. Soms een woord hardop – misschien per ongeluk, ik weet het niet. Het is warm in deze kamer, de oliekachel lijkt me nieuw. Op haar knieën tilt de tante van Izumi een kop groene thee van een dienblad en ze zet hem voor me neer. Vanuit mijn kleermakerszit bedank ik haar. Ik buig erbij, dat is zo’n gewoonte die in je sluipt. Dan staat Izumi’s vader op en gaat hij op zijn kussen zitten. De oom van Izumi is een vriendelijke zeventiger met een wijs gezicht en lachrimpels. Itadakimasu, zegt hij en hij neemt een slok. Ik hou van zijn land en doe hetzelfde.