vrijdag 28 juli 2006

Visdag

Zondag aten onze buren paling, net als wij. En met ons de rest van Japan. Want zondag was het palingdag – of doyou ushi no hi, zoals ze hier zeggen. Wie het ooit heeft bedacht, weet niemand. Hiraga Gennai, zeggen sommigen: een farmacoloog en schrijver uit de tijd dat Tokio nog Edo heette. Zeker is dat je met die gladde aaseters zo veel vitaminen en eiwitten naar binnen schuift dat je er de hele hete zomer mee vooruit kan. Dus barstten de schappen zondag van de opengevouwen paling, ingesmeerd met sojasaus en rijstwijn, en lagen er die avond drie repen op mijn rijst, gegrild en bestrooid met peper. Lekker was het, dat moet ik zeggen. Nu alleen nog zien of Gennai er kijk op had en of we de zomer overleven.

maandag 24 juli 2006

Geweldsgolf

De rest van het jaar mogen het dan betonnen nietsnutten zijn, in het laatste stukje regenseizoen is het pezen geblazen voor de rivieren van Japan. Ten zuiden van Kyoto buldert er eentje onder mijn trein door – de bergen uit, het land in. Aan deze kant van het glas hoor ik Japans en de cadans van de stalen brug. Aan de andere kant raast en kolkt en spat het, zonder geluid en met de kleur van modder. En niet ver van me vandaan, waar laatst twee vissers zaten, rukt het water springend aan het oevergroen. Nee, als ik tijd had, zou ik het wel weten. Dan zou ik flink gaan zitten kijken naar het geweld hier beneden, nu het nog kan. Want over een week is het gedaan, en veranderen de rivieren van Japan weer in bakken van beton.

vrijdag 21 juli 2006

Feest

17 juli, 13.24 uur. Langs de route van het Gion-festival in Kyoto.
Eerst zie ik alleen twee laarzen onder een paraplu. Een klein kereltje. Maar als ik dichterbij kom, zie ik ook een stel lange benen. Het ventje blijkt een reus. Zijn regenbroek is geel en de reus zit op een visserskruk te wachten op wat komt. Het is voor een oud huis in Japanse stijl – donker hout, witte muren. Op de plu roffelen druppels en af en toe komt onder het ding een hand vandaan die rommelt in een zakje. Rijstkoekjes. Ik hoor ze kraken tussen zijn kaken. En zo zit hij daar. Tot, knarsend en trommelend en fluitend, de eerste praalwagen de straat in rijdt. De man ontvouwt zijn lange lijf en klapt de paraplu in. Ook zijn regenjas is geel. Hij heeft een blauwe visserspet, een hangend gezicht en droeve ogen van jaren staren naar een dobber. Nu volgen ze de houten kar en de mannen die hem voorttrekken. Linksaf gaat het zaakje, en de reus schuift in elkaar en klapt de paraplu weer over zich heen. Het zal vandaag niet meer ophouden met regenen.

2 MEER DAN DUIZEND WOORDEN: KYOTO, MAANDAGMIDDAG

vrijdag 14 juli 2006

Vooravond

De yukata gestreken – check
Het haar als een geisha – check
Slippers van hout – check
De wagens gebouwd – check
Camera klaar – check
Een doek met een tijger – check
Een V van twee vingers – check
De worsten ontdooid – check
De geest van het kwaad – check
De speren geslepen – check
En één amulet – check
Het offer is drank – check
Een krant met de route – check
Hier staat een diender – check
‘Daarlangs mevrouw’ – check
De lampionnen gehesen – check

Het Gion-festival kan beginnen.

2 MEER DAN DUIZEND WOORDEN: KYOTO, VANMIDDAG

donderdag 13 juli 2006

Kazan

7 juli, 15.31 uur. Het vulkaangebergte ten noorden van de Kagoshima-baai.
Het bos is doorweekt, het water rond mijn enkels is wit en overal ruik ik rotte eieren. Dat heb je met die bronnen. We hebben net een halfuur gelopen, het centrum van Maruo uit, een wandeling over glimmend asfalt. In elke hoek sist het en ruist het. Dat ruisen is van water dat via honderden vallen de baai in kolkt. Het sissen hoort bij de stoom die in pluimen boven het groen uitsteekt. En die stoom, die komt van de heetwaterbronnen in dit gebied. Stinkende bronnen zijn het. Maar dan heb je wel tintelende voeten.

8 juli, 22.15 uur. Een balkon ten westen van de Kagoshima-baai.
Vanaf de Stille Oceaan wappert een koele wind. Een bries kan je het niet noemen. Een eind de baai in stampt een veerboot, zijn schijnwerper glijdt over de golven. En achter de boot, daar ligt hij: Sakurajima. Ik vind hem nog mooier dan vanmiddag. Zwarter dan de nacht, de bovenkant gehavend, met hellingen tot aan de hemel. Kazan, dat is het Japanse woord voor vulkaan. Vuurberg. Zou een actieve vuurberg ’s nachts slapen? Beneden klotst de oceaan tegen de kade en ik kan niet stoppen met staren.

9 juli, 12.09 uur. De rand van de lavavelden van Sakurajima.
Het is een raar gevaar, zo’n actieve vulkaan. Er sijpelt een lullig sliertje rook uit, dat is het. Verder ligt hij daar maar. Aan de andere kant: het is wel rook. En waar rook is, is magma. Diep onder de zolen van mijn schoenen rust dezelfde brij die een eeuw terug in zúlke hoeveelheden en zo krachtig de berg uit spatte dat het eiland Sakurajima met het vasteland versmolt. Een bordje bij een bunker zegt: Hier schuilen in geval van nood. Ik kijk naar de gekartelde kraterrand en neem mijn petje af – net gekocht in Kagoshima.

2 MEER DAN DUIZEND WOORDEN: KYUSHU, AFGELOPEN WEEKEND

donderdag 6 juli 2006

Zweet

De drukte ligt achter me en ik trap door de avond van Kyoto. Ik rij langs lampionnen van restaurants en zatte mannen met de dassen los. Rechts haalt een zwarte taxi me in, en een auto met donkere ruiten. En ik ga alsmaar rechtdoor, dat is het makkelijke van Kyoto. De oude poort van een tempel is dicht en een jonge vrouw – blote schouders, het haar zwart en opgestoken – belt aan bij de deur ernaast. De stad gonst en steeds dichterbij komt het geluid van trommels en bellen en houten fluiten. Ze oefenen een slepend lied zonder ritme dat bezwerend en blij tegelijk klinkt: het lied van de zomerfestivals, of om het even welk festival in Japan; altijd hetzelfde liedje. Rechts in een straat, daar ergens komt het vandaan. En volgende keer ga ik kijken waar precies. Maar nu plakt mijn kraag aan mijn nek, ik wil een koud glas bier.

dinsdag 4 juli 2006

Straattaal (2)

Zijn het geen piepstemmen in de ochtend, dan is het wel tikkend hout in de avond. Klak klak klak. Twee blokjes zijn het, geklemd in de knuisten van een vrijwilliger. Als de bergen rond Kyoto zwarte silhouetten worden en op straat de lantaarns aanknipperen, struint het mannetje met zijn houtjes door de stegen van de stad. Klak klak klak. Beneden, onder ons keukenraam, galmen ze tegen de gevel dat we moeten oppassen met vuur. Want veel huizen hier zijn van hout en ze staan dicht op elkaar, dus een vlam in één keuken legt voor je het weet een hele straat in de as. Zeker in de zomer, als de zon fel is en de stad uitdroogt. Klak klak klak. Gecontroleerd heb ik het niet, maar ik neem aan dat het mannetje tijdens zijn avondronde niet rookt.