7 juli, 15.31 uur. Het vulkaangebergte ten noorden van de Kagoshima-baai.
Het bos is doorweekt, het water rond mijn enkels is wit en overal ruik ik rotte eieren. Dat heb je met die bronnen. We hebben net een halfuur gelopen, het centrum van Maruo uit, een wandeling over glimmend asfalt. In elke hoek sist het en ruist het. Dat ruisen is van water dat via honderden vallen de baai in kolkt. Het sissen hoort bij de stoom die in pluimen boven het groen uitsteekt. En die stoom, die komt van de heetwaterbronnen in dit gebied. Stinkende bronnen zijn het. Maar dan heb je wel tintelende voeten.
8 juli, 22.15 uur. Een balkon ten westen van de Kagoshima-baai.
Vanaf de Stille Oceaan wappert een koele wind. Een bries kan je het niet noemen. Een eind de baai in stampt een veerboot, zijn schijnwerper glijdt over de golven. En achter de boot, daar ligt hij:
Sakurajima. Ik vind hem nog mooier dan vanmiddag. Zwarter dan de nacht, de bovenkant gehavend, met hellingen tot aan de hemel.
Kazan, dat is het Japanse woord voor vulkaan. Vuurberg. Zou een actieve vuurberg ’s nachts slapen? Beneden klotst de oceaan tegen de kade en ik kan niet stoppen met staren.
9 juli, 12.09 uur. De rand van de lavavelden van Sakurajima.
Het is een raar gevaar, zo’n actieve vulkaan. Er sijpelt een lullig sliertje rook uit, dat is het. Verder ligt hij daar maar. Aan de andere kant: het is wel rook. En waar rook is, is magma. Diep onder de zolen van mijn schoenen rust dezelfde brij die een eeuw terug in zúlke hoeveelheden en zo krachtig de berg uit spatte dat het eiland Sakurajima met het vasteland versmolt. Een bordje bij een bunker zegt: Hier schuilen in geval van nood. Ik kijk naar de gekartelde kraterrand en neem mijn petje af – net gekocht in Kagoshima.
2 MEER DAN DUIZEND WOORDEN: KYUSHU, AFGELOPEN WEEKEND