donderdag 22 juni 2006

Ander mens

Met een schok werd ik wakker en ik wist het: ik ben Japanner. Nooit eerder in mijn leven heb ik geslapen in een trein. In Nederland was het er altijd te lawaaiig voor en in Japan was ik nooit moe genoeg. Tot eergisteren. In het midden van de zesdaagse werkweek, ergens tussen Kobe en Kyoto, gaven de spieren in mijn nek het op. Mijn hoofd knakte voorover, mijn ogen schoven dicht en weg was ik. De hele verdere reis hing ik wiegend over mijn lesboek, naast een wiegende man, in een trein vol wiegende Japanners. En ik werd pas wakker van de naam van mijn station – als herboren.

zaterdag 17 juni 2006

Chinezen

Buiten knipperen grote Japanse tekens en de bussen en taxi’s blijven maar komen. Binnen hangen tl-buizen. De bar rond de keuken beneden zit vol – iedereen met zijn zwarte haar in de oliewalm. De pijp van de afzuiginstallatie glimt van het vet, er zijn koks met blauwe overjassen, het meisje van de kassa schreeuwt bestellingen en prijzen en over haar hoofd gaat een stomend bord van hand tot hand. Hier op de eerste staat een grote fles bier van Asahi. De ruiten zijn gezeemd met een vette doek, we zitten op kussens van plastic en ik schuif mijn Chinese lepel onder vier brokken tofu met gehakt, lente-ui en nog zo wat. Vijf minuten lopen, was het. En die tofu is potverdorie om je vingers bij af te likken.

woensdag 14 juni 2006

Kindertelefoon

Hij mag dan van Kyocera zijn, echt Japans is mijn nieuwe telefoon niet. Nee, dan die van de man rechts naast me. In zijn hand, op een schoot met een krijtstreep, ligt hetzelfde mobieltje als ik heb. Maar aan dat van de vijftiger hangt een lachende paddestoel. Een schoolmeisje links van me heeft een telefoon met een pluchen beer eraan, en de geest uit de lamp van Alladin. De vrouw aan de overkant van het gangpad heeft er eentje met twee touwtjes. Het ene is wit, het andere zwart, en aan het einde rinkelt een kattebelletje. En dan de dame ernaast. Ze is de veertig ver voorbij en over de klep van haar telefoon zit het badstoffen gezicht van een konijn. Het is vies van de vingers en nu drukt ze het ook nog tegen haar oor. Honderd procent inburgeren in Japan, ik zie het niet gebeuren.

zondag 11 juni 2006

Vreemde taal (12)

Roppèn, noemen ze hem hier.

vrijdag 9 juni 2006

Straattaal (1)

Vanochtend om vijf voor zes riep een vrouw dat ik moest uitkijken. Ze deed het met de stem van een kind. Van de straat beneden en via de flats aan de overkant stuiterden haar woorden de heuvels van mijn dromen in. Piep piep piep! Bakku shimasu, go-chui kudasai! Pas op, ik ga achteruit! De stem van het kindvrouwtje hoorde bij een vrachtwagen. Elke truck in dit land is ermee uitgerust; overal waarschuwt de vrouw dat vrachtauto’s, bussen en bestelwagens achteruitrijden. Want Japan is een bezorgd land en een piepsignaal is niet genoeg. Kleuters zijn we, en de stem van mama is altijd dichtbij. Sommigen noemen dat kinderachtig, ik voelde me vanmorgen veiliger dan ooit. En aan de hand van de vrouw van de vrachtwagen huppelde ik verder door de heuvels van Japan.

woensdag 7 juni 2006

Pauze

Het meisje met het schort staat tussen stomerij Nakano en Nihon Travel. Achter haar zie ik de winkel waar ze bij hoort, vóór haar een tafel met lunchpakketten, drie hoog op een stapel. Snacks met verse rijst, zegt het bord boven de deur. Het is tegen half één, bus 46 rijdt voorbij en iedereen is buiten, maar bij het meisje van de lunchpakketten blijft het stil. Ze heeft haar handen gevouwen en haar glimlach is zo bitter dat ik er even van moet slikken. Zo staat ze daar al tien minuten, tussen de bruine stomerij en een poster met een vliegtuig. Maar dan. Als bij de knip van een hypnotiseur laten haar handen elkaar los. De glimlach wordt een lach en een mevrouw met een hoedje stapt van haar fiets. Twee pakketten koopt ze. Het meisje kijkt haar na. Dan schuift ze het prijskaartje op de stapel iets naar voren, steekt ze de handen in elkaar en gaat haar hoofd weer langzaam hangen. Daar is de volgende bus 46.

maandag 5 juni 2006

Vreemde taal (11)

Een jaar in Japan, dat vier je met Hollands bier en pannenkoeken. Dus daalden we zaterdagavond af tot onder straatniveau, aan de Dojimarivier in Osaka. Oude Kaas, heette het restaurant – Aude Kaasu, in het karakterschrift van Japan. En ze hadden hun best gedaan, de mensen van Aude Kaasu. Vooruit, de ober droeg een boerensjaal die je in Nederland alleen nog in feestwinkels ziet. Maar onze Ra Turappu, die schonk hij volgens het boekje. De bitterballen – Oranda kurokke, stond er op de kaart, Hollandse kroketten – waren zelfgemaakt en nog romiger dan Van Dobben. Mijn pannenkukku was een stevige lap, gebakken van Nederlands beslag met appel, spek en belegen kaas. Ik kreeg er een pot Oranda shiroppu bij met het logo van CSM. Alleen bij de prijskaartjes ging het mis: voor onze beugelfles van Gurourushu vroegen ze bij Aude Kaasu niks minder dan 7 euro. Maar ach, jubileren met je kop in Nederland, dat mag ook best wat kosten.

donderdag 1 juni 2006

Weer

De zon slaat vandaag hard op Japan. Hij brandt op een futon die over een balkon hangt, op het zand van een parkje met een lege glijbaan en op een parkeerplaats vol Toyota’s en Nissans. Voor een winkel loopt een man met een bril en een poloshirt, hij houdt een polstas boven zijn hoofd. En in de schaduw van het perron zie ik een meisje met lange benen en de zonnebril van Victoria Beckham. Maar het zijn vooral de rijstvelden. Sinds eergisteren staan ze weer onder water en een boer rijdt er op hoge wielen doorheen. Het water is bruin en het weerspiegelt de snelweg die op palen achter de akkertjes ligt. 363 dagen geleden – toen zag ik deze velden voor het eerst, precies zo. Nog twee dagen en dan zijn we een jaar in Japan.