maandag 29 mei 2006

Binnenpret

Het was op een zondagmiddag. De gebouwen van Osaka waren vierkant, lelijk en geel van de zon, dat kon ik vanaf de negende goed zien. Ik vond ze op een gekke manier mooi en voelde me best. Zo stond ik daar zelfs wat te lachen. Ik was naar die plek bij het raam komen lopen door een kantoortuin die ik leeg had verwacht, maar die gonsde van de mensen alsof het maandag was en niet zondag. Die gekke Japanners ook. Pas toen zag ik mezelf in de ruit, met mijn witte overhemd, mijn das en het kopieerapparaat waar ik achter stond. Zondagmiddag, en mijn lach werd er alleen maar breder van. Japan is een wilde stroom, ik ben er ingesprongen en nu zwem ik gretig mee – zo voelde dat. Ik maakte van blijdschap een extra kopietje.

donderdag 18 mei 2006

Manieren (2)

22.37 uur. Station Omiya, Kyoto.
De trein rolt van me vandaan en op het perron staat een jongen met een blauwgele jas. Zijn pet heeft dezelfde kleuren, zijn handschoen is wit en hij trekt een denkbeeldige lijn langs het spoor. Van rechts naar links zwaait de handschoen en aan het einde van de lijn wijst hij met een knik naar de trein. Alles oké, niemand van het platform gevallen. Hankyu, staat er op de jas van de jongen: de naam van het spoorwegbedrijf. Precies als ik langs hem loop, verstart zijn gezicht. Ik kijk in de richting van zijn blik en zie een trap vol passagiers. De jongen trekt een sprint, springt een tree of tien de trap op en slingert zijn bovenlijf voor een oude mevrouw. Hij buigt erbij en steekt zijn armen naar voren van Kan ik helpen. De dame draagt een koffer die zo zwaar is dat ze scheef loopt. Ze knikt, en de handschoenen van de jongen nemen de koffer van haar over. Dan verdwijnen de twee stap voor stap achter de rand van het plafond.

woensdag 10 mei 2006

Manieren (1)

22.18 uur. De trein van Osaka naar Kyoto.
Hij is voorin de vijftig, draagt een pak dat naar zwart neigt en op zijn schoot ligt een aktetas van Comme ça ism. De man ziet er beroerd uit. Het zal het harde werken zijn, of de drank, dat kan net zo goed. Hij zit op de bank tegenover me – knieën uit elkaar, elleboog op de leuning, hand over de ogen en een frons op het hoofd. Zijn moede, moede hoofd. En de plek naast hem is vrij. Een dametje met grijze haren en een kimonoachtige zomerjapon schuifelt tussen ons door, strijkt de achterkant van haar jurk glad en gaat zitten. Ze heeft het pluche nog niet aangeraakt of de man opent de ogen. Hij draait zijn hoofd naar de vrouw, zucht vanuit zijn tenen en trekt met een ruk de pand van zijn jas onder haar kont vandaan. Hij gromt nog wat en doet de ogen weer dicht. De dame zet haar bril af en begint de glazen eens stevig te poetsen.

vrijdag 5 mei 2006

Met mij

Mijn integratie in Japan is voltooid: ik heb een mobiele telefoon. De mensheid zal daar niet van wakker liggen, maar voor mij is het een flinke stap. Want hoewel ik in Nederland ook zo’n ding had (voor mijn werk was ik nogal eens op pad), gek ben ik er nooit op geweest. Ballast, dat is het. En bellen als je omgeving meeluistert, ik heb het nooit gekund. Daarom ‘vergat’ ik meestal om die telefoon mee te nemen. Maar ja, hoe gaat dat. Ik reis nu van het ene schoolfiliaal naar het andere en van hogerhand vroegen ze steeds vaker fijntjes of ik mijn nummer wilde doorgeven zodra ik een mobieltje had gekocht. Ik begreep de hint en de tijd waarin ik leef – zuchtte en koos een telefoon van tsuu-kaa. Tu-ka, zo schrijven ze dat hier. Er zit geen camera op het apparaat en ook geen mp3-speler, maar hij rinkelt wel als iemand me belt. Nou moet ik alleen nog durven om hem in een volle trein op te pakken.

2 MEER DAN DUIZEND WOORDEN: MIJN FLINKE STAP

woensdag 3 mei 2006

Aanpakken

Donderdagochtend verhuisden we naar Kyoto en dat deden we op zijn Japans. Dat zat hem niet zozeer in de verhuizers – elke keer als ze onze oude flat binnenrenden, deden ze hun schoenen uit en steeds als ze met een lading dozen ons appartementje uitdraafden, schoten ze de schoenen weer aan. Nee, wat de verhuizing vooral een Japanse tint gaf, was de dagindeling. Even na half negen reden de mannen voor in Nagaokakyo, om half elf belden ze aan in Kyoto, tegen twaalven bedankten we ze buigend voor het harde werk en drie kwartier later zaten we op kantoor. Verhuisvrij, dat neem je maar in Nederland.