zondag 7 februari 2010

Voorbode

Tegenover het keizerlijk paleis van Kyoto, op het bordes van de Rozanji-tempel, drukte een man zijn zwaard op de rechterschouder van een vrouw. De vrouw droeg een winterjas, de man een duivelspak. Hij had zelfs een masker over zijn hoofd getrokken, met een boos gezicht, horens van goud en haar dat op stro leek. Een eindje boven het haar hing een lampion. Fudo-myo-o, stond er op. Twee monniken zongen een monotoon gebed. De man in het duivelspak tilde zijn zwaard over het hoofd van de vrouw en hij duwde het nu op haar linkerschouder. Het was geen misselijke duw; de vrouw helde naar links onder het gewicht. Daarna zette de man de hand met het zwaard op zijn knie. Het wees naar de hemel. De man in het duivelspak knikte en de vrouw boog terug. Toen ze zich omdraaide zag ik haar gezicht. De vrouw keek verlegen – misschien omdat we met zo veel waren – en tegelijk keek ze opgelucht. De lampion wiegde nog op de winterwind, die dag, maar volgens de maankalender kwam de lente eraan.

2 MEER DAN DUIZEND WOORDEN: DE ROZANJI-TEMPEL, DEZE WEEK.

zaterdag 30 januari 2010

Geert

Bijkomend voordeel van Japan was altijd dat het negenduizend kilometer verwijderd is van Geert. Je kon hier gerust een jaar naar het journaal kijken zonder dat de man uit Venlo voorbij kwam. Hij bestond eenvoudig niet in dit land. En dat gaf rust. Totdat Daihatsu hem ontdekte. Nadat telefoonaanbieder Softbank de hulp van Brad Pitt inriep en koffiebrouwer Boss voor Tommy Lee Jones koos, schakelt Daihatsu nu de geblondeerde beklaagde in. Avond aan avond prijst hij hier de Tanto Exe aan – een karretje met, geheel in stijl, het stuur aan de rechterkant.

2 NU IN HET JAPANSE RECLAMEBLOK: DE DAIHATSU TANTO EXE.

vrijdag 15 januari 2010

Storm

Vroeger was alles beter. In de beschrijving van een veldslag in januari 1160 lees ik over ‘the struggle of Yoshitomo and his sons Yoshihira, Tomonaga, and Yoritomo to make their way through snowstorms in wild country, pressing on to the east to collect a new force.’ Zojuist dwarrelde er welgeteld één sneeuwvlok langs het raam. Een natte nog wel.

zondag 10 januari 2010

Afzien

Op 3 januari zette Katsu de mok instantkoffie op de salontafel. De damp sloeg van de koffie. ‘Nog tweeënhalve kilometer te gaan voor mijnheer Takami’, zei de commentaarstem van de estafetteloop. ‘De eerste plaats is zeker’, zei een andere commentaarstem. Katsu schoof zijn benen onder de deken van de salontafel en plantte zijn kont op het kussen, zijn rug tegen de muur. De kamer rook naar de olie van het kacheltje. De koffie rook naar instantkoffie. Maar instantkoffie was ook koffie. ‘Het is afzien hè’, zei de ene commentaarstem. ‘Ja hè’, zei de andere. Katsu’s benen werden warm. Hij stak een hand onder zijn kamerjas en wreef over zijn buik, die rond was van de viskoekjes, ham, brasem, sojabonen, haringkuit, sardientjes, garnalen, omeletjes, zeewierrolletjes en soep met rijstcake van vanochtend – de resten van eergisteren. De renners zagen er slecht uit. De wind blies uit Siberië. ‘Die koffie is niet verkeerd’, zei Katsu tegen zichzelf.

zaterdag 26 december 2009

Naasten

Geen mooiere dag dan tweede kerstdag voor het schoonmaken van de ojizosan. En al zouden er mooiere dagen zijn, veel keus hadden we niet. Het afstoffen en oppoetsen van het huisje van de Japanse kindergod hier in de straat is een kwestie van toerbeurt. Dus wreef ik vanmiddag met een doek over het dak van het ding, zette ik het hek eromheen in het sop en spoelde ik de kattenpis van de kiezels ervoor. En bij boenen bleef het niet. De ojizosan schoonmaken doe je met je buren en onder het schrobben praat je bij. Met zo’n heilig huisje voor de deur ontmoet je elkaar nog eens. We werkten en we kletsten en we lachten vanmiddag en ik dacht aan de naastenliefde van de koningin der Nederlanden. Mijn buren en ik deden negenduizend kilometer verderop best ons best.

zondag 29 november 2009

Drie regels (2)

Camerageklik –
de esdoorn bij de tempel
laat een blad vallen.

2 MEER DAN DUIZEND WOORDEN: DE RENGEJI-TEMPEL, VORIGE WEEK

zaterdag 14 november 2009

Prima bandje

Aan de baai van Osaka was de avond net begonnen. Van de containeropslag aan de haven kwamen vrachtwagens langs dieselen, de motoren dreunend en de opleggers leeg en rammelend over het asfalt, en ver weg over het water kon je de lichten van de snelweg langs de baai zien. Er stonden kantoorgebouwen en woontorens en het eiland aan de baai was leeg en het waaide als in Rotterdam langs de Maas. In de zaal stond ik met Izumi aan mijn linkerhand en een klein meisje aan mijn rechterhand. Misschien heette ze wel Hitomi. ‘You’re never going home!’, gilden Izumi en Hitomi. Ik nam nog een slok Asahi en liet de beker vallen. Met de meiden en tweeduizend anderen wuifde, wiegde en klapte ik en wuifde, wiegde en klapte ik maar door. Toen schreeuwde Alex Kapranos ‘Osaka, arigato!’ en doken Paul Thomson en Nick McCarthy het publiek in. Buiten rolde de wind vanuit de baai over het eiland. Mijn trommelvliezen trilden na, de hele weg naar huis.