woensdag 24 februari 2010

Karaktertje

Vanochtend leerde ik ‘avond’ schrijven. Niet voor het eerst trouwens. Meer dan dertig jaar geleden priegelde ik het ook al eens op papier. Maar bootste ik toen de krulletters op het schoolbord na, vanochtend keek ik naar een zootje streepjes in mijn werkboek met Japanse karakters. De streepjes betekenden ban – als in konban, ‘vanavond’. Het woord kende ik al, het strepenspel kwam me bekend voor, maar geschreven had ik het nog niet.

Ik klikte de potloodpunt van mijn Bruynzeel Automatic 0.5 naar buiten en zette het ding op het werkblad. Ik boog voorover. Mijn ogen sprongen heen en weer tussen het voorbeeld in drukinkt en het vakje eronder. Daar trok ik een streepje van een centimeter dat leek op een i zonder puntje. Mijn neus hing er vlak boven. Ik tilde het vulpotlood op, plaatste het bovenaan de i en zette er een omgekeerde L tegenaan. Samen vormden ze een U op zijn kop. Tussen de poten van de U trok ik van links naar rechts twee streepjes.

Ik rechtte mijn rug en bekeek het brouwsel van een afstandje, als een schilder voor zijn ezel. Het had iets weg van een ladder met drie sporten en het zag er niet slecht uit.

Ik boog me weer over het werkblad. Naast de ladder tekende ik een accent aigu. Het was een fors geval, maar zo hoorde het. Rechts tegen het reuzenaccent kalkte ik een 7, net als in het voorbeeld. Het accent en de 7 deden me denken aan zo’n ding op een trein. Een stroomafnemer. Onder de stroomafnemer tekende ik opnieuw een ladder met drie sporten, maar deze ladder lag op zijn kant. Een dressoirtje met twee deuren, dat was het meer.

Mijn ogen hopten van de potloodstrepen naar het voorbeeld en weer terug. Ik was er bijna. Nu alleen links onder het kastje – hup – nog zo’n Gulliversaccent en rechts – kras kras – een L en klaar was ik. Ik legde de Bruynzeel op het werkblad en tilde mijn neus van het papier. Er brandde iets in mijn rug. Ik keek naar de ladder, de stroomafnemer, het dressoirtje en de rest. Met elkaar schreven ze 晩. Ban. Het was een mooie ‘avond’, besloot ik, en ik sloeg het werkboek dicht.

MEER DAN DUIZEND WOORDEN: AAN DE KEUKENTAFEL, VANOCHTEND

zondag 14 februari 2010

Barentain Dee

In de Jusco, een reusachtige supermarkt hier in de buurt, tolde ik rond mijn as. Het was zaterdagochtend en ik zag heren, dames en grut rond een mevrouw met een kapje op haar hoofd. De mevrouw onder het kapje deelde kommetjes paddestoelensoep uit. Eén dame ging door de knieën en gaf een lepel van het spul aan een peuter in een wagen.

Ik draaide verder en rook vis. Krabben, zag ik. Ze lagen rijen dik in bakken van piepschuim – elastiekjes rond de scharen en nog ademend, zo vers. Ik keek naar de mannen en vrouwen die hun wagentjes er langs duwden. Ze schuifelden en hun blik gleed langzaam over de krabben, oesters en garnalen. Een vrouw wees naar een inktvis.

Ik zwenkte door. Twee meiden in schorten met het Jusco-logo liepen naar de deuren van het magazijn. Ze praatten zachtjes. Bij de deuren draaiden ze zich om en maakten ze een buiging van dertig graden. Maar ik ben nooit goed geweest in wiskunde. Toen keerden de meiden zich weer om en verdwenen ze uit de winkel. De deuren zwaaiden na.

Ik duizelde nog wat en een eind van mij vandaan, onder posters met de woorden Barentain Dee, tussen rekken vol met hartjes van chocola, stond Izumi met een doosje in haar hand. Ik deed net of ik haar niet zag.

zondag 7 februari 2010

Voorbode

Tegenover het keizerlijk paleis van Kyoto, op het bordes van de Rozanji-tempel, drukte een man zijn zwaard op de rechterschouder van een vrouw. De vrouw droeg een winterjas, de man een duivelspak. Hij had zelfs een masker over zijn hoofd getrokken, met een boos gezicht, horens van goud en haar dat op stro leek. Een eindje boven het haar hing een lampion. Fudo-myo-o, stond er op. Twee monniken zongen een monotoon gebed. De man in het duivelspak tilde zijn zwaard over het hoofd van de vrouw en hij duwde het nu op haar linkerschouder. Het was geen misselijke duw; de vrouw helde naar links onder het gewicht. Daarna zette de man de hand met het zwaard op zijn knie. Het wees naar de hemel. De man in het duivelspak knikte en de vrouw boog terug. Toen ze zich omdraaide zag ik haar gezicht. De vrouw keek verlegen – misschien omdat we met zo veel waren – en tegelijk keek ze opgelucht. De lampion wiegde nog op de winterwind, die dag, maar volgens de maankalender kwam de lente eraan.

MEER DAN DUIZEND WOORDEN: DE ROZANJI-TEMPEL, DEZE WEEK.