Buitenland (2)
Sagano dus.
Het is net Nederland. Dat wil zeggen, als ik de bergen achter me wegdenk. En de bergen rechts, aan de overkant van de Katsura-rivier. En de glooiingen in de akkers vóór me. En de torens van Kyoto, daar beneden tegen de horizon. En de bergen daar weer achter. Nu ik er zo over nadenk, eigenlijk zijn het alleen de wolken: plat aan de onderkant, gestapeld van boven. Net Hollandse wolken, zo zie je ze hier niet vaak.
Verslaafd raken aan Japan is op een dag als vandaag doodeenvoudig. De lucht is blauw, het licht is fel, de winter komt. En ik sta hier zo in de zon en zo uit de wind, ik trek er mijn handschoenen van uit. Van de weeromstuit, had ik bijna opgeschreven. Stil is het ook, zo stil als het alleen op het platteland kan zijn. Als je al iets hoort (een kraai, een brommer), dan hoor je het gedempt. Kort en dof, alsof er een deken over het land ligt.
Maar nee, geen deken hier in Sagano. Wel plastic, en niet eens een lullig stuk ook. Over een akker is een flinke lap landbouwzeil gespannen. En de daders staan erbij.
Van een afstandje zijn het net Nederlandse boeren, maar als ik beter kijk zijn het toch Japanners. Vier stuks, een eind in de vijftig gok ik – je moet wat – en ze hebben geen haast. Het karwei zit erop, het plastic ligt. Strak, maar net los genoeg om de wind ermee te laten spelen. Het lijkt potverdorie wel water, zoals dat zeil daar ligt te glinsteren in de zon.
Ze staan er dan ook tevreden bij, de mannen. Eerlijk werk. Twee hebben de handen in de zakken, de anderen in de zij. Af en toe gaat er een hand omhoog en die drukt een sjaal wat steviger in de nek of zet een kraag op tegen de kou. Want ik mag uit de wind staan, daar krijgen ze de volle laag. Intussen zeggen ze niks, de mannen, en ze staren naar het plastic. Eens kijken hoe het zich houdt.
Ik kan heel jaloers zijn op zulke mannen, en op het geheim dat ze met elkaar delen. Waar kijken ze naar? Waar wachten ze op?
Nou loopt er langs de akker een weggetje, precies op zithoogte, en een van de mannen gaat op de rand zitten. Gat op het asfalt, voeten in de klei. Hij steekt een sigaret tussen zijn lippen en het vuur zit er nog niet in of hij blaast al een flinke dot rook uit. En maar kijken, naar dat plastic. De anderen gaan om hem heen staan en kijken met hem mee. Rook waait over de akker en de man schiet in een hoestbui waar hij bijna in blijft.
Dan komt nummer vijf aangesjokt, een man met witte laarzen. Verder heeft hij een handdoek over zijn hoofd en een schop op de schouder en als hij klaar is met sjokken, gaat hij naast de mannen staan. Zijn mond beweegt. De man met de sigaret inhaleert diep en wijst dan naar het plastic, sigaret tussen de vingers. Ook hij beweegt zijn mond en er slingert rook uit. De handdoek knikt van Aha en nu kijken ze met z’n allen.
Vijf boeren. Mooi vak.
Het is net Nederland. Dat wil zeggen, als ik de bergen achter me wegdenk. En de bergen rechts, aan de overkant van de Katsura-rivier. En de glooiingen in de akkers vóór me. En de torens van Kyoto, daar beneden tegen de horizon. En de bergen daar weer achter. Nu ik er zo over nadenk, eigenlijk zijn het alleen de wolken: plat aan de onderkant, gestapeld van boven. Net Hollandse wolken, zo zie je ze hier niet vaak.
Verslaafd raken aan Japan is op een dag als vandaag doodeenvoudig. De lucht is blauw, het licht is fel, de winter komt. En ik sta hier zo in de zon en zo uit de wind, ik trek er mijn handschoenen van uit. Van de weeromstuit, had ik bijna opgeschreven. Stil is het ook, zo stil als het alleen op het platteland kan zijn. Als je al iets hoort (een kraai, een brommer), dan hoor je het gedempt. Kort en dof, alsof er een deken over het land ligt.
Maar nee, geen deken hier in Sagano. Wel plastic, en niet eens een lullig stuk ook. Over een akker is een flinke lap landbouwzeil gespannen. En de daders staan erbij.
Van een afstandje zijn het net Nederlandse boeren, maar als ik beter kijk zijn het toch Japanners. Vier stuks, een eind in de vijftig gok ik – je moet wat – en ze hebben geen haast. Het karwei zit erop, het plastic ligt. Strak, maar net los genoeg om de wind ermee te laten spelen. Het lijkt potverdorie wel water, zoals dat zeil daar ligt te glinsteren in de zon.
Ze staan er dan ook tevreden bij, de mannen. Eerlijk werk. Twee hebben de handen in de zakken, de anderen in de zij. Af en toe gaat er een hand omhoog en die drukt een sjaal wat steviger in de nek of zet een kraag op tegen de kou. Want ik mag uit de wind staan, daar krijgen ze de volle laag. Intussen zeggen ze niks, de mannen, en ze staren naar het plastic. Eens kijken hoe het zich houdt.
Ik kan heel jaloers zijn op zulke mannen, en op het geheim dat ze met elkaar delen. Waar kijken ze naar? Waar wachten ze op?
Nou loopt er langs de akker een weggetje, precies op zithoogte, en een van de mannen gaat op de rand zitten. Gat op het asfalt, voeten in de klei. Hij steekt een sigaret tussen zijn lippen en het vuur zit er nog niet in of hij blaast al een flinke dot rook uit. En maar kijken, naar dat plastic. De anderen gaan om hem heen staan en kijken met hem mee. Rook waait over de akker en de man schiet in een hoestbui waar hij bijna in blijft.
Dan komt nummer vijf aangesjokt, een man met witte laarzen. Verder heeft hij een handdoek over zijn hoofd en een schop op de schouder en als hij klaar is met sjokken, gaat hij naast de mannen staan. Zijn mond beweegt. De man met de sigaret inhaleert diep en wijst dan naar het plastic, sigaret tussen de vingers. Ook hij beweegt zijn mond en er slingert rook uit. De handdoek knikt van Aha en nu kijken ze met z’n allen.
Vijf boeren. Mooi vak.