vrijdag 24 november 2006

Buitenland (2)

Sagano dus.

Het is net Nederland. Dat wil zeggen, als ik de bergen achter me wegdenk. En de bergen rechts, aan de overkant van de Katsura-rivier. En de glooiingen in de akkers vóór me. En de torens van Kyoto, daar beneden tegen de horizon. En de bergen daar weer achter. Nu ik er zo over nadenk, eigenlijk zijn het alleen de wolken: plat aan de onderkant, gestapeld van boven. Net Hollandse wolken, zo zie je ze hier niet vaak.

Verslaafd raken aan Japan is op een dag als vandaag doodeenvoudig. De lucht is blauw, het licht is fel, de winter komt. En ik sta hier zo in de zon en zo uit de wind, ik trek er mijn handschoenen van uit. Van de weeromstuit, had ik bijna opgeschreven. Stil is het ook, zo stil als het alleen op het platteland kan zijn. Als je al iets hoort (een kraai, een brommer), dan hoor je het gedempt. Kort en dof, alsof er een deken over het land ligt.

Maar nee, geen deken hier in Sagano. Wel plastic, en niet eens een lullig stuk ook. Over een akker is een flinke lap landbouwzeil gespannen. En de daders staan erbij.

Van een afstandje zijn het net Nederlandse boeren, maar als ik beter kijk zijn het toch Japanners. Vier stuks, een eind in de vijftig gok ik – je moet wat – en ze hebben geen haast. Het karwei zit erop, het plastic ligt. Strak, maar net los genoeg om de wind ermee te laten spelen. Het lijkt potverdorie wel water, zoals dat zeil daar ligt te glinsteren in de zon.

Ze staan er dan ook tevreden bij, de mannen. Eerlijk werk. Twee hebben de handen in de zakken, de anderen in de zij. Af en toe gaat er een hand omhoog en die drukt een sjaal wat steviger in de nek of zet een kraag op tegen de kou. Want ik mag uit de wind staan, daar krijgen ze de volle laag. Intussen zeggen ze niks, de mannen, en ze staren naar het plastic. Eens kijken hoe het zich houdt.

Ik kan heel jaloers zijn op zulke mannen, en op het geheim dat ze met elkaar delen. Waar kijken ze naar? Waar wachten ze op?

Nou loopt er langs de akker een weggetje, precies op zithoogte, en een van de mannen gaat op de rand zitten. Gat op het asfalt, voeten in de klei. Hij steekt een sigaret tussen zijn lippen en het vuur zit er nog niet in of hij blaast al een flinke dot rook uit. En maar kijken, naar dat plastic. De anderen gaan om hem heen staan en kijken met hem mee. Rook waait over de akker en de man schiet in een hoestbui waar hij bijna in blijft.

Dan komt nummer vijf aangesjokt, een man met witte laarzen. Verder heeft hij een handdoek over zijn hoofd en een schop op de schouder en als hij klaar is met sjokken, gaat hij naast de mannen staan. Zijn mond beweegt. De man met de sigaret inhaleert diep en wijst dan naar het plastic, sigaret tussen de vingers. Ook hij beweegt zijn mond en er slingert rook uit. De handdoek knikt van Aha en nu kijken ze met z’n allen.

Vijf boeren. Mooi vak.

zaterdag 18 november 2006

Buitenland

Het mooie van de stad is dat je eruit kan gaan.

Daarom sprong ik vanochtend op de fiets en pedaalde ik de Senbon-weg op. Dat is hier vlakbij rechtsaf en dan almaar in noordelijke richting, makkelijker kan het niet. Wel opletten of ik een bord met Imadegawa-weg zag, want daar moest ik linksaf. En dan rechtuit naar het westen, ook niet zo moeilijk. Een L op zijn kop, dat is nog eens een routebeschrijving.

Nou was die Imadegawa-weg een knap eind fietsen, knapper dan ik had gedacht. Het blijft gokken met dat kaartlezen. Maar na de kruising met de Marutamachi-weg, ongeveer halverwege, werd het wel steeds leuker. Vandaar loopt de Senbon-weg namelijk omhoog. Daardoor heb je naar links, door de zijstraatjes, een steeds fraaier uitzicht. Met elk straatje zie je minder hoogbouw en meer bergen. Het rook er nog wel naar diesel, dat wel.

Maar daar had je de Imadegawa-weg dan toch. Hup, linksaf dus. Ook die Imadegawa-weg is geen schoonheid, dat kan je gerust stellen. Veel verkeer, een tankstation, grote kruispunten. Maar wel makkelijk. En verdomd, ook hier werd het na de eerste helft een stuk leuker. Ter hoogte van de Nishioji-weg, waar het trammetje van de Keifuku-spoorwegmaatschappij begint, stak ik over en ineens was het stil. Wonderlijk. Geen geraas meer, alleen maar zon. En handschoenen, want fris was het.

Voorbij de Ninnaji-tempel, pakweg drie kwartier van huis, was het opletten. Niet rechtsaf de grote weg op nu, maar gewoon rechtdoor. Richting dat mannetje aan de overkant, zeg maar – handig dat het daar stond. Het blauwe ventje droeg een witte helm en het stond daar al heel lang in de zon, zo bruin was het. Een oranje stok had het ook, en daar begon het mee te zwaaien. Het kereltje lachte een kunstgebit bloot en gebaarde dat ik mocht oversteken. Een taxi en een kiepwagen, die stond het mannetje daar in zijn eentje tegen te houden.

Arigatou, boog ik in het voorbijgaan.

Douzou, gebaarde het mannetje. Gaat u maar.

Nauwelijks was ik overgestoken of de weg liep naar beneden, en fors ook. Bergafwaarts. Eigenlijk is dat een rare uitdrukking, bedacht ik me. Naar beneden is toch een stuk makkelijker dan ertegenop. Kijk maar: daar ging ik, zonder te trappen. Hier een flauwe bocht naar rechts, daar weer iets naar links, en dan met volle snelheid op alweer een kruispunt af. Groen licht, ik kon zo door, de benen van de trappers, juichend de weg over. Mocht er iemand door rood zijn gesjeesd, dan was ik in elk geval jubelend geschept.

Het was niet veel later toen ik bij het Hirosawa-meer stond. Hier beginnen de bergen, verder kan je niet. Het bamboebos achter me kraakte en ruiste en maakte een tokkend geluid, vóór me lag het prachtige platteland ten noordwesten van Kyoto. Sagano. Overal groene akkers waar de wind koud overheen blies. Maar de zon deed ook zijn best. En wat meer was, tegen een schuur stond een drankenautomaat. Warme koffie, 120 yen. Kom daar maar eens om.

2 MEER DAN DUIZEND WOORDEN: SAGANO, GISTEREN

zaterdag 11 november 2006

Vreemde taal (13)

中央広場, stond er op het bordje. Tot mijn grote schrik, mag ik wel zeggen. Want dat derde karakter, dat had ik net geleerd. Maar nu, weg van het tekstboek, in de harde Japanse praktijk, nu het erop aankwam dus, kon ik er potverdorie mooi niet opkomen. 広, ik had geen flauw idee.

中 wel. Dat karakter zit er inmiddels goed in. Midden, betekent het. Centrum, kan ook. Centraal, soms. Maar 広, al sloeg je me dood. Ik had het in mijn laatste levensrochel nog niet kunnen ophoesten. Bladzijde 194 van mijn tekstboek, had ik misschien gereuteld. Daar staat het.

En het piekeren begon. Gelukkig was het daar een fraaie plek voor. Neem alleen die tekst al. De karakters waren met knappe hand in het bordje gekerfd en wit geverfd. Het bordje zelf was van hout en aan de rechterkant in een punt gezaagd. Zo stond het daar te wijzen, naar een pad dat omhoog kronkelde, onder de bomen door, een heuvel op. Naar 中央広場 dus.

Tegenover het bordje, langs de voet van de heuvel, stroomde de Katsura-rivier. Die had er geen haast mee vandaag, met dat stromen. Wel scheen de zon erop en boven mijn hoofd danste de schittering tegen de puntige blaadjes van een esdoorn – een hemel vol heldergroene sterren. Ik bedoel maar: er zijn rottere plekken om te gaan staan nadenken over de betekenis van een Japans karakter.

Nou geef ik toe, ik wist evenmin waar die andere twee tekens voor stonden. Maar ja, die had ik ook niet geleerd, dus daar kon ik mee leven. Waar het om ging, was dat ik de hele week op dit karakter had zitten zwoegen en dat me dat geen steek verder had gebracht. Ik had op zijn minst dicht bij de oplossing moeten zijn, maar ik bleek verdorie niks méér te weten dan een week geleden.

De vier symbolen op het bordje begonnen intussen een eigen leven te leiden. Misschien stond daar bovenop op die heuvel, aan het einde van het pad, wel een droom van een tempel en waren dit de karakters van zijn naam. De centrale nog-wat-tempel, dat klonk niet gek. Ik rook historie en ik zag het voor me, het hout, het wit, het sierlijke dak – alles wat verslavend is aan de oudbouw van Japan.

Had ik het maar bij die fantasie gelaten.

Later die dag bladerde ik naar bladzijde 194 van mijn tekstboek. O ja, ‘breed’ betekende het. Verdomd. Maar ja: centraal en breed, daar schoot ik ook niet veel mee op. Dus legde ik het rijtje karakters voor aan Izumi. Hoofdveld, zei ze. En floep, verdwenen was de historie. Een veldje. Dor gras, een betonnen bank en een prullenbak. Weg hout, weg wit, weg sierlijk dak. Weg magie van lang vervlogen tijden.

Ik overweeg wel eens te stoppen met inburgeren. Met elke dag dat ik mijn nieuwe thuisland beter leer kennen – met elk nieuw karakter dat ik leer begrijpen – dreigt het iets van zijn betovering te verliezen. Voor ik het weet is Japan een gewoon land.

zaterdag 4 november 2006

Hulp

Hij is vierenzeventig, draagt een bril waar Paloma op staat en bijna gooit hij roet in mijn vrije dag.

Maar laat ik bij het begin beginnen.

Ik weet waar ik naartoe wil: Arashiyama, misschien wel de mooiste plek in Kyoto. Hoe ik er kom, dat maakt me niet uit. Met de zon in de rug naar het noordwesten en alleen door de kleinste straatjes van Kyoto – meer hoef ik niet te weten. Want vandaag wil ik verdwalen. Te fiets op het gevoel af, dat werk. Bestemming natuur en frisse lucht.

Ter hoogte van Life, een reusachtige supermarkt met parkeerplaatsen, auto’s en huisvrouwen, knijp ik in de remmen. Ik ben nu halverwege, gok ik, en ik kijk op de kaart of ik nog een beetje op koers zit. Je kan het nooit weten met de zon. Al hangt hij er schitterend bij, daar tegen de hemel: half elf, standje herfst. Life is goud.

Waar wilt u heen?, vraagt een stem vanuit het niets. Engels met een Japans accent. Van de T-splitsing op de kaart (linksaf Yamanouchi, rechtsaf Omuro) kijk ik omhoog, in een gepensioneerd gezicht. Er zit een tint op die er lang geleden is ingebrand en daarna nooit is weggegaan. Een innemende lach zit er ook op. En dus die bril, een montuur uit 1976.

Arashiyama, zeg ik. En ik zeg het met tegenzin. Want innemende lach of niet, deze man gaat mij helpen, dat zie ik zo. Hij zal niet rusten voor hij me op weg heeft geholpen, of erger nog, naar Arashiyama zelf heeft gebracht. Dolen, dat bestaat niet in het Japanse woordenboek. Efficiënt staat er wel in. Saai ook. En langzaam verdampt mijn dwaaldag.

Alles in orde hoor, probeer ik nog. Maar de man vouwt mijn kaart al op.

Volg mij maar, gebaart hij: geen probleem, ik heb alle tijd.

Ik ook, mompel ik. Ik ook. En ik volg de man. We gaan die kant op, zegt hij.

Ineens, een dik kwartier later, stopt hij. Hij valt bijna van zijn fiets, dat zou je net zien. We staan op de hoek van een kruispunt met asfalt, diesel en elektriciteitskabels. Super Dollfie Sweet Home, staat er op een gebouw. This is the place your angels are. Ik herinner me deze weg van de kaart: een dikke streep, kaarsrecht naar Arashiyama.

De man wijst. Deze weg volgen en daar, bij het snelwegviaduct, linksaf.

Geen dank!, roept hij boven het verkeer uit.

Dank u, buig ik. Rare volgorde.

Dan keert de man om en slingert hij weg, terug naar Life waarschijnlijk. Ik kijk hem na. Zodra hij de hoek om gaat, fiets ik een steegje in, het eerste dat ik tegenkom. Weg van het asfalt, het oude Kyoto tegemoet. Arashiyama is gelukkig nog ver weg.

Weggeweest

De studenten trekken onverminderd aan zijn jas, daar niet van. Maar sinds kort doen ze dat één dag minder in de week. Binsento werkt namelijk gewoon weer vijf dagen in plaats van zes. En het beloofde schaafwerk, dat zit erop. De rubriek Plus... en minder werd genadeloos de nek omgedraaid, maar daarvoor in de plaats kwam een groeiende stapel plaatjes van Japan (klik op de links hiernaast, onder de kop Meer dan duizend woorden). En dan is er ook nog eens een kersverse site – in samenwerking met Izumi – over lunchen in Kyoto (zie Dagschotel). En nu als de sodemieter aan het schrijven.