woensdag 30 juli 2008

Goede bui

Die had de weervrouw niet zien aankomen. Niemand had hem trouwens zien aankomen. Ik ook niet. Daarom sprong ik met mijn gebakken noedels onder een afdak en daar zag ik de druppels aanzwellen tot een hoosbui. Ook zag ik flitsen en hoorde ik klap na klap weerkaatsen tegen de bergen rond Kyoto. En het hield niet op. Het stortte en kolkte en kraakte en donderde woester dan ik ooit had meegemaakt. Ik keek naar het bakje met de noedels, hield het in gedachten boven mijn hoofd en zag mij niet droog thuiskomen. Gelukkig kwam daar de dochter van de slijter aangerend. Bij elke pas spatte het water op. ‘Hier, gebruik maar’, zei ze toen ze voor me stond. Vanonder haar witte paraplu reikte ze mij een zwarte aan. ‘Hartelijk bedankt’, zei ik en ik boog. In de avond klaarde het op en was het veel minder klam.

maandag 28 juli 2008

In Kyoto (2)

Het was donderdag en de verkoopmanager keek blij. Zijn mensen hadden een grote order binnengesleept en dat gingen ze die avond vieren. Hij boog naar me toe. Hij fluisterde bijna toen hij Gion noemde, de wijk waar Kyoto nooit veranderd is, waar maiko’s zich haasten, de stegen ’s avonds stil zijn en achter houten gevels alleen het beste van Japan op tafel komt. Hij leunde achterover en keek behalve blij ook trots.

‘Dat zal wel wat kosten, als ik zo vrij mag zijn.’

Hij knikte.

‘Als je er voor het eerst komt, ongeveer 180 euro per persoon. Exclusief de drank. Maar ons bedrijf komt er al heel lang.’

‘Met hoeveel gaan jullie?’

‘Tien mensen. Alle verkopers.’

‘Potverdorie.’

‘Maar ons bedrijf betaalt.’

De verkoopmanager boog weer naar me toe.

‘Maar weet je?’

Nu keek hij samenzweerderig en hij fluisterde weer.

‘Ik heb ook twee maiko’s en een jikata besteld, voor na het eten. De maiko’s voor het dansen en de jikata voor de muziek. En na het dansen komen de maiko’s bij ons zitten.’

Hij leunde weer achterover. Zijn blik was ditmaal triomfantelijk.

‘Zo’, zei ik en ik meende het. ‘Dat is bijzonder.’

‘Het moet een speciale avond zijn.’

‘Maar dat is heel duur, denk ik?’

‘120 euro per uur voor een maiko.’

‘Potverdorie. En hoe lang blijven jullie daar?’

‘Een uur of drie.’

‘Maar het bedrijf betaalt.’

‘Nee’, schudde de verkoopmanager langzaam. ‘Dit betaal ik, als blijk van dank. Als mijn mensen zien dat ik dit voor ze over heb, dan hebben zij later weer wat voor mij over.’

We lachten als mannen onder elkaar en ik dacht aan mijn laatste loonstrookje.

zaterdag 19 juli 2008

In Kyoto

Ze is receptioniste in een Japanse herberg en ’s morgens tegen vieren trok ze de stalen branddeur dicht. Buiten stroomde de Oi-rivier langs de bergen van Arashiyama. Haar tenen kwamen tussen de deur en de drempel, en de deur rukte twee nagels uit. Ze lachte toen ze het vertelde.

‘Je zal het wel hebben uitgeschreeuwd.’

‘Nee, de gasten boven sliepen nog.’

‘Maar daar denk je toch niet over na.’

‘Ik schreeuwde in mezelf. Dat leek me beter.’

Ze kneep haar ogen stijf dicht, deed haar mond wijd open en schudde haar hoofd. Zo zag het er uit.

‘Je verdient een prijs voor de beleefdste receptioniste.’

Ze lachte weer.

‘En toen naar het ziekenhuis?’

‘Ik was de enige die nachtdienst had.’

‘Maar je was gewond!’

‘Er kan altijd een gast naar beneden komen. Stel dat er dan niemand is.’

‘Wanneer kwamen je collega’s?’

‘Mijn baas kwam vijf uur later.’

‘En toen naar het ziekenhuis.’

Ze schudde kort.

‘Twee uur daarna. Er was nog veel werk.’

‘Je verdient ook een prijs voor de meest toegewijde receptioniste.’

Ze lachte nog een keer.

Ze schoof haar voet onder de tafel vandaan en keek naar het verband om haar tenen.

‘Ik moet het om de dag laten verversen.’