Goede bui
Die had de weervrouw niet zien aankomen. Niemand had hem trouwens zien aankomen. Ik ook niet. Daarom sprong ik met mijn gebakken noedels onder een afdak en daar zag ik de druppels aanzwellen tot een hoosbui. Ook zag ik flitsen en hoorde ik klap na klap weerkaatsen tegen de bergen rond Kyoto. En het hield niet op. Het stortte en kolkte en kraakte en donderde woester dan ik ooit had meegemaakt. Ik keek naar het bakje met de noedels, hield het in gedachten boven mijn hoofd en zag mij niet droog thuiskomen. Gelukkig kwam daar de dochter van de slijter aangerend. Bij elke pas spatte het water op. ‘Hier, gebruik maar’, zei ze toen ze voor me stond. Vanonder haar witte paraplu reikte ze mij een zwarte aan. ‘Hartelijk bedankt’, zei ik en ik boog. In de avond klaarde het op en was het veel minder klam.