Zitten
De temperatuur steeg en ik ging zitten. Dat doe ik graag, zitten. Net als lopen, trouwens. Als je loopt zie je meer dan wanneer je fietst. Maar zittend zie je het meest. Hoewel. Ik zag niet de schuifdeuren met rijstpapier achter me, of de kamers daar weer achter, met matten van stro en schuifdeuren van papier waar de vier seizoenen op waren geschilderd. Maar ik zag wel de rand van het tempeldak boven me, en de lucht die heel blauw was vandaag, en de tempelmuur aan de overkant, met dakpannen erop en halverwege een poort erin. Het dak van de poort was groot en sierlijk en het houtsnijwerk in de deuren was fijn, dat kon ik ook op deze afstand goed zien. Vijftig meter, gokte ik. Maar een goeie gokker ben ik nooit geweest. Tussen de poort en mij lag de tuin van Omuro-gosho. Rond 900 woonde keizer Uda op deze plek. Dik 1100 jaar later zat ik er. Ik overzag de enorme grindvlakte die de tuin was. Links en rechts stonden bomen. Eén boom was een esdoorn. Ik bekeek het grind. Het was geharkt in banen die kaarsrecht vanaf de muur met de poort op me af kwamen. Ik zag voor me hoe een monnik vroeg die ochtend zijn hark door de kiezels trok. Het was nog fris, zo vroeg, hoopte ik voor de monnik. Ik ging verzitten en schroefde mijn fles ijsthee open.