dinsdag 25 november 2008

Dagjesmensen

In het zuidoosten van Kyoto, helemaal onderaan de heuvels, diep in de Sengyokukan-vallei, onder het rood van de esdoorns op de hellingen, die het dal deden oplaaien in de zon, stroomde een beek met water van hooguit een hand diep dat vers uit de bergen kwam en over de beek lag een brug van steen en op de brug en op de paden ernaartoe en ervandaan stonden honderden mannen, vrouwen, jongens en meisjes met fototoestellen – digitale, analoge, kleine, grote en mobiele-telefooncamera’s – die duwden en drongen om de puntige blaadjes van de esdoorns op hun mooist te vangen en het waren zo veel fototoestellen dat er misschien wel meer fototoestellen waren die blaadjes schoten dan dat er blaadjes aan de bomen hingen.



2 MEER DAN DUIZEND WOORDEN: KYOTO, ZATERDAGOCHTEND

zaterdag 8 november 2008

Schone zaak

Waar de Shijo-straat en de Karasuma-straat elkaar kruisen, sta ik op de zevende verdieping en druk ik op het knopje voor de lift naar beneden. Op het knopje staat een pijl die omlaag wijst en de pijl licht op. De lift hangt op de zesde verdieping en zal zo naar beneden gaan, zegt het paneel boven de knop. Maar de lift gaat niet. De lift blijft hangen, eerst misschien nog even, daarna steeds langer. Pas na een minuut daalt hij – vijf… vier… drie… twee… – naar de begane grond. Twintig meter onder me zie ik de deuren open zoeven, mensen uitslenteren en de deuren weer dicht glijden. En de lift, zegt het paneel boven de brandende pijl, klimt – twee… drie… vier… vijf… zes… – tot voor mijn voeten, de deuren schuiven open en ik stap in. Een vrouwenstem richt zich tot mij, jong en zacht. ‘Sorry dat ik u zo lang heb laten wachten’, fluistert ze in mijn oor en de lift zet zich in beweging, soepel en zonder verdere geluiden.