zondag 29 juni 2008

Regenseizoen (2)

Op een van die dagen had het de hele ochtend niet geregend en liep ik van de supermarkt naar huis. Het was bewolkt en de hortensia’s stonden in bloei. Het blauw van hun bloemen knalde van het water. Ik wandelde onze straat in en zag spatten op het asfalt. Er viel een druppel op mijn neus. Daarna viel er een op mijn schouder en toen was er geen houden meer aan. De regen was vol van geur en kwam kaarsrecht naar beneden.

‘Hier, neem deze paraplu!’

Ik keek naar links. De slijter hield een paraplu in de lucht.

‘Het is goed’, zei ik. Het was nog maar honderdvijftig meter.

Wel kreeg ik meteen zin in de sake die ik laatst bij hem had gekocht. Maar het was pas half twaalf, dus in plaats daarvan zette ik een kop koffie. Ik dronk hem op Japan, en op de slijter in het bijzonder.

zondag 15 juni 2008

Regenseizoen

Het begint altijd met de bergen in het westen. Je kan ze niet zien. Je ziet het parkje, de daken, de flats en de stad. Maar er hangt een waas voor de bergen dat net zo grijs is als de lucht. Zo kan je het zien aankomen. Het is warm. De lamp boven de tafel in de keuken begint te wiegen op de wind. Je laat het nog even zo. Dan gaat het wiegen over in zwaaien en doe je het raam toch dicht. Ook de bomen verderop in de straat zwiepen nu. Er spat een druppel tegen het raam. En nog één. En voor je het weet komt het zwaar uit de hemel; de hele dag, avond, nacht en morgen gaat het door. De wind is dan allang gaan liggen, geen blad dat nog beweegt, maar het blijft komen. Het is klam en je doet het raam weer open. Je hoort het ruisen en sissen, je leest de krant en het houdt maar niet op. En later, als je hem weer dichtvouwt, is het, zonder dat je het merkte, stil geworden. Je hoort nog wel gedrup, er staan plassen in het parkje en de gevels zijn nat, maar de ruitenwissers bewegen niet meer en een meisje op een fiets houdt haar paraplu gesloten. Ook kan je de bergen weer zien. De damp hangt er in vette plukken tegenaan.