donderdag 29 mei 2008

De duvel

Op tv zeiden ze dat er in China een naschok was geweest. Honderdduizenden huizen waren verwoest en er waren veel vermisten. Daarna ging het over The Big One in Japan. Berekeningen laten zien dat het elk moment kan gebeuren, al een paar jaar.

‘Misschien moeten we afspreken waar we elkaar ontmoeten als het gebeurt’, zei Izumi.

Ik zat net de krant te lezen op internet. Ik keek op.

‘Wat denk je van de middelbare school?’, zei ze.

‘Even verderop?’

‘Dat lijkt me de beste plek.’

‘Goed’, zei ik.

Ik wilde verder lezen, maar ik kon me niet concentreren.

Iets daarna begon het glas in de schuifdeuren te rinkelen. Er klonk gerommel dat van diep beneden kwam. We keken elkaar aan. Na een seconde of tien hield het gerommel op.

zondag 25 mei 2008

Lang verhaal

Het café was op de eerste verdieping. Op de bar langs het raam stond een rij pocketboekjes. Het waren er veel en ze stonden op volgorde van het Japanse alfabet. De muren waren blauwgroen geschilderd met soms een witte duif en er zaten veel mensen binnen. Achter de boeken, voorbij de stadswoning aan de overkant van de straat en voorbij het kantoorgebouw van Dentsu aan de Oike-weg, de naam groot op de gevel, hing de lucht vol wolken. Het klaarde op. Ik had trek en zat hier al dertig minuten, maar de ober was een vriendelijke jongen en hij sprak rustig. ‘Sorry dat u zo lang moest wachten’, zei hij. De jongen zette de ciabatta niçoise naast de waterfles en het glas. Het brood was knapperig en de olijven smaakten goed met de tomaat en de tonijn. Ik kauwde en bekeek de rug van een dun boekje. ‘De langzame boot naar China’, ontcijferde ik karakter voor karakter.

maandag 19 mei 2008

Bezegeld

Ik ging zitten en bekeek de zegel waarvoor ik net vierduizend yen had betaald in het kantoortje om de hoek. Vierentwintig euro ongeveer. Er stond een kersenbloesemtak op. Verder was het gewoon een postzegel, donkerblauw met een kartelrand. Ik keek op naar de vrouw achter de balie van het immigratiekantoor. Maar hoe ik ook glimlachte, ze lachte niet terug. Ik was snel aan de beurt en in ruil voor de zegel kreeg ik mijn paspoort terug. De vrouw liet me het nieuwe visum zien, drie jaar erbij. Ik bedankte haar, maar ze wilde nog steeds niet glimlachen. Op de fiets terug naar huis dacht ik aan de kersenbloesemtak.

vrijdag 9 mei 2008

Rollen

De maan was nieuw toen de trein langzaam over de rivier reed. De brug klonk hol onder de trein en je kon het water zien en de lichtreclames op de gebouwen langs de oever.

‘Bedankt dat u hebt gekozen voor Hankyu Elektrische Spoorwegen’, zei de conducteur zoals elke keer. Hij sprak zorgvuldig. ‘Dit is de intercity naar station Kyoto Kawaramachi. Deze trein zal stoppen op station Takatsuki-stad, Nagaokakyo, Katsura, Saiin, Omiya en Karasuma.’

In het gangpad stond een meisje met zwart haar dat bruin was geverfd. Ze steunde op een rugleuning en ze opende haar ogen alleen als ze een bericht ontving op haar mobiel. Dan klapte ze kort het schermpje omhoog.

‘Voor de richting Arashiyama kunt u overstappen op station Katsura’, ging de conducteur verder. ‘We zullen aankomen op station Kawaramachi om vier minuten over acht. Het volgende station is Takatsuki-stad. Na Takatsuki-stad stoppen we in Nagaokakyo.’

Een vrouw met een rugtas op haar borst hield zich vast aan een lus. Ze hing er aan met haar arm gestrekt en las een tijdschrift dat ze op de tas hield.

‘Willen dames en heren in de eerste wagon zo vriendelijk zijn hun mobiele telefoons uit te zetten,’ zei de conducteur, ‘en willen dames en heren met kinderen goed opletten alstublieft?’

Aan het plafond hing een poster van het vrouwentheater in Takarazuka, met een Japanse vrouw die op een Arabische prinses leek en drie vrouwen die zich hadden verkleed als sjeiks. ‘Arabia of Love and Death’, stond er onder de foto. Eén van de vrouwen had een snor.

De trein reed al aardig snel.

maandag 5 mei 2008

Op visite

De bus naar Nagoya zou om vijf over één vertrekken. De toren van Kyoto, tegenover het station, was wit en rood tegen een blauwe hemel. In de snoepwinkel kochten we yatsuhashi, snoep uit Kyoto gemaakt van rijstdeeg met kaneel en een pasta van rode bonen. De yatsuhashi waren voor vrienden. Voor mijn schoonouders haalden we kashiwamochi, rijstballetjes gevuld met rode bonen en gewikkeld in eikenblad, en senmaizuke, schijven ingemaakte koolraap, bij de winkel aan de overkant. Bij Isetan, onder het station, kochten we een doos appelpasteitjes voor een vriendin en haar dochter en koekjes voor een kennis die ons pas had geholpen. Die avond lagen de kashiwamochi voor het familiealtaar in Nagoya. De volgende ochtend waren ze op.

Nooit nooit

Zonder einde geen nieuw begin.