zaterdag 23 december 2006

Rusteloos

Het begint goed.

Ik parkeer mijn fiets naast een andere bij het keizerlijk paleis in Kyoto. Nou ja, keizerlijk; de laatste keizer trok hier honderdveertig jaar geleden de deur achter zich dicht voor een enkele reis naar Tokio. Het enige wat hier nu nog keizerlijk is, is de pet van de bewaker, de hamer van de timmerman en de hark van de hovenier. Die komen nog steeds uit het potje van de hofhouding.

Wandelen over het grint van de tuin om dit paleis, dat is nooit een straf. Maar na zes dagen werken knarst het wel héél erg lekker onder je schoenen – van genot draai ik een knerpend rondje rond mijn as. Dan inhaleer ik de tuin en de winter en zet ik het op een slenteren. Zo diep mogelijk het park in, zo ver mogelijk de drukte uit. En mijn schaduw slentert mee: kijk hem eens glijden over de kiezels en het gruis.

Ik zoek een bank met uitzicht. Het liefst eentje in de zon. Aan de andere kant, dat slenteren bevalt me ook best, dus weet je wat, ik ga nog even door. Ik laat het Sento-paleis rechts liggen, het Omiya-paleis ook. De bewaker voor de houten poort, met zijn wachthuisje, zijn dranghek, zijn verrekijker en zijn schild; ook hem sjok ik voorbij. En daar heb je het hoofdpaleis: een muur van 682 passen in de lengte, tel ik. Je moet altijd een doel hebben.

Dan keer ik om. Voor me ligt die grintvlakte, met niks erop behalve de zon. Rechts de paleismuur, de keizerlijke chrysant in de dakpannen, links een grasveld onder een hemel van dennen, en verder alleen maar grint: een grijze baan van anderhalve kilometer in het hartje van de stad. En vooruit, daar ga ik, weer langs het hoofdpaleis en de bewaker voor zijn poort, het Omiya-paleis en het Sento-paleis voorbij, linksaf, en daar plof ik neer. Op het beste bankje van het park nog wel.

In mijn hand hangt een papieren zak van God Mountain. Ik vouw hem open en til er een croque-monsieur met tonijn uit. Typisch Japans, wat je zegt. Ik schuif het ding uit het boterhamzakje waar het God Mountain-meisje hem een uur geleden inschoof, sla mijn ene been over het andere en neem een hap. Potverdorie. In de zon tegenover de muur van een Japans paleis, dat kauwt toch lekkerder.

En dan gaat het fout.

Op de kiezels voor me landt een enorme kraai. Ik sla in de lucht en hij springt een meter achteruit. Dan komt hij weer teruggestapt. Achter me hoor ik geritsel en ik kijk om. Drie kraaien staren me aan, ook al van die joekels. Ik kijk omhoog. In de bomen zitten er nog een stuk of wat. Nou weet ik niet hoe het met jou zit, maar ik heb het niet op kraaien. Met die dode ogen van ze, en die snavels. Ik sla weer in de lucht, maar de zwarte reuzen blijven zitten. Of nee, er springen er twee uit de bomen, zo op de grond. En maar staren.

De rovers stappen dichterbij en ik sta op. Ik prop de croque-monsieur achterin mijn keel en slik hem in één keer door. Maar in de zak van God Mountain zit er nog eentje, en een appelkaneelbroodje op de pik toe. Ik wandel weg en de kraaien wandelen mee. Een schaduw scheert over het grint. Ik begin stevig te wandelen en de kraaien versnellen. Ik snelwandel, de kraaien ook. Ik ren, zij rennen mee.

Vlug – open, dat fietsslot. Ik spring op mijn zadel en trap de tuin van de keizer uit, terug de drukte in. Geen kraai te bekennen hier, wel veel verkeer. Ook zijn er stoplichten, mensen en geluiden. Want in Japan wordt verdorie niet gelummeld.

zondag 10 december 2006

Schoonheid

Door Kyoto stroomt van noord naar zuid de Kamo-rivier. Mooi ding. Iets ten westen ervan loopt parallel de Kawaramachi-weg. Minder mooi. Veel winkels, drommen mensen, rijen auto’s. Ga je vanaf die weg weer iets verder naar links, dan stuit je op een klein straatje. Ook dat loopt van noord naar zuid, maar het is alleen bestemd voor voetgangers. En vanmiddag loop ik erdoorheen: de cd-winkel uit en richting die ene supermarkt waar ze hazelnootpasta verkopen. Lekker.

Hoe het straatje heet, dat weet ik niet. Maar er is niks mis mee, dat weet ik wel. Sterker nog, ik vind het een heel fijn straatje. Minder druk dan die Kawaramachi-weg, en wat meer is: je ziet er nog eens wat.

Dat begint al bij de cd-winkel. Ga je daar de roltrap af en langs Seattle’s Best Coffee naar buiten (altijd even snuiven), dan wandel je zo tegen een kleine stadstempel aan. Echt, als je te hard loopt, struikel je er naar binnen. Hoge muur met wit pleister, houten poort met sierlijk dak en uitzicht op een tuin en rijstpapieren schuifpanelen. Prachtig doorkijkje; als het niet zo verdomde koud was ’s nachts, mocht je me ervoor wakker maken. Ik wil maar zeggen, het is niet voor niks dat ik in Japan woon.

Afijn, daar loop ik dus. Vóór die tempel linksaf het straatje in, langs die hele lange muur en op de volgende tempel af. Want het stikt ervan, daar in dat straatje; als de cd-winkel er niet zat, en de gokhal een eindje verderop, en het schoenenzaakje en de giftshop, dan stonden er alleen maar tempels.

Ik stop tegenover de ingang. De muren zijn lichtgrijs dit keer, de deuren van hout. En ze staan nog open ook, ik kijk zo de tuin in. Een spar zie ik, of een den, wie zal het zeggen – de naalden zo geknipt, het lijken wel wolken. Rond de wolkenboom staan andere struiken, verschillend van hoogte en ook gesnoeid met veel geduld. Tussen al het groen door loopt een pad, recht vanaf de deuren naar een trap met houten treden, vier of vijf. Boven de trap een veranda en schuifpanelen van hout en rijstpapier. Overal rechte lijnen, alles is stil. Een lust voor het oog is het, niks minder. En middenin de stad.

Dan loopt ze door mijn beeld. Haar Japanse haar is bruin geverfd, ze heeft haar ogen stevig opgemaakt – veel te stevig, maar ze mogen er wezen, eerlijk is eerlijk. Aan haar schouder hangt een tas van Louis Vuitton, aan haar arm eentje van Takashimaya. Maar waar het om gaat, dat is haar rokje. Veel om het lijf heeft het niet. Net onder de tas, vlak onder de heupen, houdt het witte ding al op. Haar benen zijn bloot en ze draagt hoge laarzen. Daarop stapt ze langs, van links naar rechts, voorbij de tuin met de spar, of de den, de struiken, het hout, het rijstpapier, de rechte lijnen en de stilte.

Mijn ogen glijden heen en weer, van de tuin tussen de houten deuren naar de Japanse met haar benen en dan weer naar de tuin. Ze kunnen niet kiezen waaraan ze moeten blijven haken. Nou hoeft dat natuurlijk ook niet, want allebei is het mijn Japan. Alleen is de eenvoud van mijn mannenbrein altijd weer even schrikken.